Skip to content
1576

Een nieu Guese liede boecxken

Anoniem

op de wijse des ij. Psalms Wtenhoue. Mijn siel verblijt haer inden Heer, Sijn hulp doet my ontspringhen: Dus wilt met my tot zijnder eer, Een dancbaer Liedt nu singhen, Want wonder wracht zijn stercke handt Hy heeft zijn Volck ghedaen bystant, Jn het Lant van Groeninghen.

Op den dryentwintichsten Mey, Des auonts na ses uren, Soo wert ghehoort een groot geschrey, Van alle den Naburen, THeyligherlee en daer ontrent, Daer Gods ghenade wert bekent, Jn zijnes strijdts wtvueren.

Graef Lodewijck tooch wt den Dam, Na dees voorseyde stede, Sijn Broeder Adolf met hem quam Graef Joost Schouwenburch mede, Met menich lansknecht onbeducht, Alst scheen so namen sy de vlucht, Het welck haer voordeel dede.

Sy sochten een bequaem slachvelt, En vondent voor Winschoten: Jn vijuen is t Slachoord' ghestelt, Door Gods raet wel besloten: De ruyters hielent Waghenpadt, De Walen hebben in ghehadt Een Sloot daer sy wt schooten.

Tverloren hoopken sachmen staen Ontrent de galg daer teghen, De dubbelsolders Westwaert aen, Waren hoogher geleghen: De Duytsche schutten lancx het moer Elck meest met een nieu lanck Spaensch Roer, Vanden vyandt ghecreghen.

Den Graef van Arenburch seer heet,

Sachmen vlijtich aanrijden, Met Thien Vaendelen Spaengiaerden wreet, Sy dansten, en benijden Dat de vyf Vaendelen wt Vrieslant Met hen teghen een cleyn vyant, Als nu souden gaen strijden.

Met voeten (sprack elck) sullen wy Dit volck wel haest wech stoppen: Duym ijsers ketenen daer by Haddense reedt met stroppen. Haer Leuse was: hangt op, alaet doot Maer buyten t Bosch nu staende bloot, So clauden veel haer coppen.

Arenburch heeft sick eerst vertoont Sijn achtiender te Paerde: Tgeschut gestelt, ginck los tverschoont Nassous volck, doock na d Aerde: Den Ruyteren en treftet niet, Dat Dubbelsolders is gheschiet Was oock van cleynder waerde.

Veel Spaengiaerts schoten terstont los, Nassous volck cost bet ramen: Sijn Ruyters renden stracks na t Bos, Die tgrof gheschut in namen, Die Walen volchden wt haer gracht, Die dubbelsolders oock met macht, Met Graef Lodewijck aen quamen.

De Spiessen druckten in seer hert, Men hoorde Sweerden klincken: Menich goet Roer gebroken wert,

Om t Spaengiaerts cop te krincken: Elck drong dweers door, schoot, smeet, en stack, Soo dat den Spaengiaerts oorden brack, En lieten den moedt sincken.

Vijf Vaendelen duytschen vluchten haest Die dander snel na liepen: Die Spaengiaerts staende seer verbaest, Misericorde riepen: Sanct Jago, Nostre Dam Loret, Was van haer op Godt niet gelet, Deerlicken sy ontsliepen.

God sy met ons, de Leuse was Van het volck van Nassouwen, Warachtich wast so op dat pas, Een ygelijck mocht aenschouwen: Hy maecte hert end banden sterck, Ende wrocht daer door zijn wonderwerck, Met haer die hem betrouwen.

Gheen half ure en heeft dit gheduert, Den slach die nam een ende: De loopers hebbent meest besuert Al door Nassouwens Bende: Opt Moer, int Bosch, een mijl int rondt, Men Spaengiaerts ende duytschen vondt Meest doot, waer men sick wende.

Jn den Dollaert wijdt en seer groot, Verdronckense by hoopen: Arenberchs Peert viel in een sloot,

Dies moest hijt oock becoopen: Thooft, zijde, hals waren doorwont Dies hy bestorf in corter stont, En Groesbeeck ist ontloopen.

Van dit volck men begrauen sach Ouer de achthienhondert: Watmen noch vondt na desen dach Dat sy hier wtghesondert, Nassous volck die doot bleuen daer Waren gheen veertich dit is waer, Jn Gods werck v verwondert.

Doch Graef Adolff seer onuersaeft Js daer oock doot ghebleuen Graef Loodwijck Canzler wel begaeft Die liet daer oock zijn leuen, Veel zijn ghewont die stonden stijf, Doch hebben meest gheen noot vant lijf, Godt wil haer sterckte gheuen.

Tweehondert dertich Duytschen cloeck Hier oock gheuangen laghen, Arenburch had ghedaen versoeck, Om menich Monicks Waghen, Wel vol van Cruyt, Clooten, Broodt, en Wijn, Dese meest al ghebleuen zijn: Elc Peert wert wtgheslaghen.

Tgeschut, Vt, Re, Mi, Fa, Sol, La, Wt Groeningen ses stucken, Die volghen nu Graef Loodwijck na, De Heer laet doch ghelucken, Dat de vyanden van zijn woort,

Als dese corts werden versmoort, Die noch vrome verdrucken.

Mensch, dees saeck doch niet toe en schrijft Den mensch, want twaer gheloghen Want tis Godt die de selfde drijft, Al heeft hijt langh vertoghen: Sulcx was wel onser sonden schult, En zijn tijt was noch niet veruult, Meer is in zijn vermoghen.

O Heer v sy lof en danck, Van uwe ouerwinnen: Sterct ons gemoet noch swack en cranck Met uwen Gheest van binnen, Dat het bidt, en betrouwe vast, Soo sult ghy corts van ouerlast Helpen die v beminnen. Weest die ghy zijt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Een nieu Guese liede boecxken · Anoniem · Poetry Cove