Na de wijse des 1 4 2 Londenschen Psalm: Met mijn stemme tot den Heer, etc. Ick neme Adieu, aen mijne Schaepkens al, Eylacen ick moet v laten, Adieu mijn Alderliefste ghetal, Die ick nemmermeer can haten, Adieu Broeders en Susters ghemeyn, Adieu Lidmaten Christi reyn, Mijn woorden wilt doch wel vaten.
Oorlof Bruyt Christi, Adieu Lelie soet Adieu wy moeten scheyden, Oorlof O Lieffelijcke Ghemeynte goet, Den tijt moeten wy verbeyden, Tot dat ons God by een versaemt, Adieu groen Kercke hoogh befaemt,
God sal v noch eens verbreyden.
Oorlof mijn kinders alderliefste bloet Het scheyden is bitter om smaken, Ghy zijt mijn Hert en siel zijt dies wel vroet, Jn liefden mijn herte sal blaken Tot v, en nemmermeer ick sal Vergheten u, int Aertsche dal, Altoos sal ick naer v haken.
Rijst op O Heere alderliefste Godt, Hoe langhe sult ghy slapen? V lieue Volck wert iammerlijck bespot, Van Monicken ende Papen, En ander Godtloose meer, Die verdrucken v Schaepkens teer: O Heer wilt eens opwaken.
Jck roepe tot u, in desen grooten noot, En bidde voor alle mijn schapen, Die vanden Godloosen lijden aenstoot, Na welcke sy hongerich gapen: Verlost ons Heer, tis meer dan tijt, Vander Woluen tanden ons beurijt, Grijpt selue inde handt de Wapen.
Strijt voor ons Heer, betoont v cracht, Ghy zijt ons Hulper alleyne: Dijn is dat Coninckrijcke, en alle Macht Eylacen ons hulpe is cleyne: Wy zijn ellendich in onsen staet, Ons lijden niemant gade slaet Onder de menschen ghemeyne.
Cookies on Poetry Cove