Op de wijse vanden xliiij. Psalm. Wy hebben gehoort, etc. Antwerpen Rijck, O Keyserlicke Stede, Niet ws ghelijck, Ghy zijt nu heel in vrede V Cooplien al zijn al Capernaijten, Dies Godt v sal Jnden Afgront versmiten: Tyrus heeft noyt ghedaan, Tgheen dat ghy hebt bestaen, Nochtans ist wel versoncken: Sydon quaet en verwoet En heeft noyt Christen bloet (Ghelijck ghy doet) ghedroncken.
V Tyrannye Sal die niet haest cesseren: Verraderye Sietmen in v regneren: V Pastoor boos Van onser Vrouwe Kercke, Met een Wijf loos Leght zijn valscheyt te wercke: Symon is hy genaemt, Dat Wijf is wel befaemt, Sy heet langhe Margriete,
De Secten Jesuwijt, Die daer brenghen altijt Gods kinders in verdriete.
Dit valsch Wijf ghinck Met een dobbelen gronde, Een ouderlinck Groette sy met den monde, Segghende: Vrient Mijn gheest is seer verslaghen, Goedt raet my dient, Hoe ick God mach behaghen: Ons Paep die vuyl Catijf, Verdruct my arme Wijf, En ghy weet doch de waerheyt, Hoord ick eens arme schaep V dienaers met den Paep, Mijn herte voer wt swaerheyt.
Christoffel cloeck Draghende Christum binnen, Heeft sulck versoeck Aenghenomen wt minnen, Tweemael dispuyt Hadden sy met hen beyden: Die Paep den druyt Moeste met schanden scheyden, Doe heeft dat wijf gheseyt, Die Paep my niet meer greyt: Vrient ick wil v aencleuen, Stelt my een ander dach,
Datmen v hooren mach, Jck soecke deewich leuen.
Daer wert ghestelt, En een dach toe vercoren, Maer twiert vertelt Den Marckgraef van te voren, Dat hy alsdan Neerstelick waken woude, End volghen an, Daer dat wijf ingaen soude: Den tweeden Julij vroech, Smorghens alst sesse sloech, Christoffel cloeck van daden, Quam daer als Predicant, Dat Wijf gaf hem de hant, End heeft hem so verraden.
Want Corts daer naer, Quam de Marckgraef bloetgierich En ving aldaer Den Herder goedertierich, En leyd hem stranck Opt Steen, met veel tormenten Op den Pijnbanck Vraechd hy na zijn Adherenten: Christoffel onuersaecht Sprack: Wat ghy my oock vraecht? Vraecht my na mijn Ghelooue: Christum heb ick bekent, Voor wien ick hier present Gheue mijn Lijf ten rooue.
Tvyerschaer sloot toe Daermen hem ginc verwijsen, Christoffel doe Seyde niet om volprijsen: Heer Schoutet, ghy Moet t Recht niet corromperen, Oft ick wil dy Voor Godt gaen appelleren: De Schoutet seer confuys Riep, Leerde ghy noyt thuys? Jn Bosschen end Velden mede? Och Ja ick, sprack hy, Godt weet, End my is oock seer leet Dat ickt niet meer en dede.
De Schoutet quaet Wilde sulcks van hem keeren Met s Conincks Placcaet Maer Christoffel vol eeren sprack tot henlien: TPlacaet gheeft v gheen voordeel, Dat sult ghy sien Als ghy sult staen voor d'Oordeel: Als die Basuyn sal slaen Om loon na werck tontfaen, Dexcuse wert seer sober, Dus als Christoffel bleef, Men vierensestich schreef, Den vierden van October.
Als hy ter doot
Sijn Offer sou volbringhen: Wt dieper noot Sachmen de Broeders singhen: De Schoutet sprack: Tsa Beul haest uwe sake, Die hem doorstack, Daer hy stont aen de stake. Als tgemeen volck dit sach, Het liep sonder verdrach, En smeten som met steenen: Maer t Schaepken bleef vermoort, Verbrant en dan versmoort, Jst niet wel te beweenen?
Neemt dit voor danck Heylighe Godts Ghemeynte, Godt sal eer lanck Aensien uwe vercleente, Ende Babel Met sweert zijns monts verdommen, Oock sult ghy snel By hem int Rijcke commen. Dus ghy Ministers coen, En swijcht tot gheen saysoen, Opbout Gods Kercke schoone, V Mondt sy een Trompet, Om te leeren Gods Wet, So crijcht ghy sleuens Croone.
Cookies on Poetry Cove