Op de wijse vanden lxvi. Psalm Sijt al verheucht wilt den Heer louen, Sijn name hier ghebenedijt Hy heeft ghethoont zijn cracht van bouen, Aen zijn volck, dwelck hier wort benijt: Dit vint ghy opentlick beschreuen Jnt Oude Testament seer claer, Wat hy door zijn cracht heeft bedreuen Aen haer die zijn wet houden gaer.
Jn onsen tijden cont ghy mercken Hoe Godt voor Hollant strijt end vecht, Jn Zeelant thoont hy wonder wercken, Hy begaeft rijckelijck zijnen knecht Den Edelen Prince van Orangien Met wijsheyt teghen t Paus gewelt, Tegens thoueerdich volc van Spaegnien Heeft hy hem als een Hooft ghestelt.
Hy heeft weerstaen met weynich mannen So meenich duysent Helden cloeck, Die hem meynden wt t Landt te bannen, Oft hem te helpen om den hoeck, Maer Godt heeft haer meest al verslagen Die op haer macht hier droeghen,, moet En wil haer opentlicken plaghen: Godts hulp zijn volck genoegen,, doet.
Dit mach een yegelijc wel aenschouwen
Hoe Gods vyanden zijn gheplaecht, Als sy op haer macht willen bouwen, Te Scheep, te landt zijn sy veriaecht Voor Haerlem wast niet thaerder vromen Voor Alckmaer werden sy beswaert, Bossu wert met zijn volck genomen Jn Zeelandt zijn sy niet ghespaert.
Voor Leyden quamen sy gestreken Tot twee diuersche stonden stout, Seer corts daerna zijn sy gheweken Verblijt was doen ionck ende oudt: Op menschen troost streckten ons sinnen, Dit wel aenmerckt bysonderlick, Hier meed en mochten wy niet winnen, Gods wercken die zijn wonderlick.
Daerna quamen sy weer voor Leyden Met al haer macht end Spaensch gespuys Sy ghinghen haer int lant verspreyden Tot schansen maecten sy elck huys Sy meynden Gods volck te verpletten Die van Victuaille waren,, bloot: Sy riepen: Wie sal v onsetten? Bespottende seer haren,, noot.
Noch seyden dopgeblasen gecken Tot die van Leyden excellent: Men soud eer met der hant bedecken De Son en tgantsche Firmament Eer v de Geuskens souden helpen Gheboren blinden sullen sien Als sy v commers nooden stelpen:
Denct niet dat v hulp mach geschien.
Geen Garnioen was inde Stede Dan Burgers cloeck, stout en vailant Tot Godt almachtich was haer bede Dat hy haer wilde doen bystant Sy waren so seer vast besloten, Het was te sien afgrijselijck: Dit heeft den goeden Prins verdroten, Hy vont een middel prijselijck.
De Dijcken ouer Yselmonde Werden doorgrauen sonder vaer, Tzeewater liep ten seluen stonde Door al die gaten hier endaer. Wt Zeelandt quam tot onser baten Boisot den vromen Capeteyn, Met Bootsgesellen en Soldaten, Tot by ses hondert groot en cleyn.
Met Schuyten en Galeyen lustich Sijn sy geuaren ouer tvelt: Vier half Cartouwen lagen rustich Jn Delfsche Vletters sijn gestelt. Sy trocken heen als vrome hansen, Sy deden ouer al exploot, En wonnen achtentwintich Schansen, Daer bleef so menich Spaeniaert doot.
Dees stadt was vijf maenden beleghen Der Spaeniaerts Capeteyn Baldez Meynende de Burgers te bewegen: Haer op te geuen hy seer preez. Hy creech voor antwoort als den slechten So lang wy hebben handen,, siet
Om eten deen, dander om vechten, So comen wy tot schanden,, niet.
Doen ons volck t Soeterwou na quamen Daer lach des vyants groote macht, Met Paerden en Voetvolck altesamen En hielen daer seer stercke wacht, Voor sulck gewelt, hoort mijn ontbinden Heeft ons volck schrickelick versucht: Maer Godt sont storm en stercke winden Den vyant is by nacht ghevlucht.
Hoort wat den selven nacht gescieden Doen Godt de Spaeniaerts heeft geport Dat sy van Leyden mosten vlieden, Een groot stuck muers is neer gestort: Tbolwerck, en oock de aerden wallen Ghemeten vijftich passen lanck Sijn neder in de Vest geuallen: Aenmerct nu oft de stadt was cranck.
Des morghens vroech drie in October Werd men ghewaer Gods wonder daet, Wt Leyden sachmen de Schans ouer De Schuyten voeren sonder laet, Met Broot, Bier, en ander Prouande, Sonder belet naar tstadt verblijt: Sy dancken Godt menigherhande, Sijn naem wert daer ghebenedijt.
Die vander stadt quamen gheloopen Met blijd geschrey ons volck te moet, En baden seer deerlijck met hoopen Met een stuck broots ons bystant doet, Tis meer dan ses weken geleden
Dat wy geen broot hebben geproeft: Den rijckdom heeft sulcx oock gebeden, Een steenen hert most zijn bedroeft.
Elck een hoordemen daer gewagen, Willecoem vrienden hertelijck, Ghy hebt verlost dees stadt van plagen, End al ons Burghers smertelijck. Ons Volck antwoorden wijselicken: Gheeft Godt alleen prijs ende eer: Loeft hem (en denct) tis prijselicken, Hy is in noot ons Godt en Heer.
O Hollant fray niet om verschoonen, Die Christum nu hebt aengedaen, Wilt ouer al dit wonder toonen, Van Gods wet wilt niet afstaen: Al hebt ghy lang geweest in lijden, V droefheyt is in vreucht verkeert, Dus wilt v inden Heere verblijden, Sijn Lof tot alder tijt vermeert.
Ghy Nederlanden rijck en machtich, Die tot v Vrijdom liefde draecht, Hout doch voor oogen dit werck crachtich Het spaensch ghespuys nu van v iaecht, Sonder v hulp moeten sy vluchten Denct wat Thantwerpen is geschiet; Sy steken vol van Neecros cluchten, Haer voorstel is moort en verdriet.
Laet haer in Spaengien sporten breyen Ezels en Koyen drijuen,, daer Dees Guyten sent na haer contreyen
Op dat sy mogen blijuen,, daer: Tzijn meest al Fielts en Roffianen Die ons hier quellen spottelick: Tzijn Beuls der Papen, en Maranen, Wie anders denckt doet sottelick.
Prins die dit liet eerst heeft gesongen, Hy kent seer wel des Paus gedrocht, Wt Spaengien is hy haer ontspronghen, Hy was na in haer feest gherocht. Wacht v voor d Jnquisiteurs handen, Die s Conincks Soon hebben vermoort, En vecht nu voor v Vaderlanden: Maect met Hollant een goet accoort.
Cookies on Poetry Cove