Op v Pardoen wy niet, en achten, &c.
Ghy acht ons Ketters, siet selfs v Bels knapen,
Monicken en Papen,, haer Leere als fenijn:
Aensiet de liefde van uwe Bijtschapen,
Bloetghierich sy gapen,, en souwen Herders zijn:
Tzijn grijpende Wolven, in eenen heylighen schijn:
d'Ooghen vol Hoerderije,, en t'Herte vol inuije,
Maer tis vergheefs dat ghy alsulcks verbreydt.
Reprise.