Op de wijse: Lief eerbaer, Aenhoort, &c. O Iesu goet, Mijn Bruydegom, mijn pand', V liefde soet Mijn hebt geheel door brandt, Ick ben van uwe liefde kranck, Troost my dan Heer, en beydt niet lanck, Het vuyr brandt seer, Godts liefde noch veel meer. Mijn hert dat haeckt Op by u, Heer te zijn, Want die u smaeckt, De werelt is hem pijn: Ick wou dat ick ontbonden waer,
En mocht aensien u aenschijn klaer. Het vuyr, etc. Het vuyr brandt seer, Godts liefde noch veel meer, Nochtans o Heer, Wou ick mijn lichaem teer, Veel liever branden in het vier, Als sonder u te wesen hier. Het vuyr, etc. Treckt my na dy, Ghy die mijn ziel bemindt, En maeckt my bly, Ick ben u Bruydt, u kindt, Geeft my de deucht die my gebreekt, Mijn hert en liefde meer ontsteeckt. Het vuyr, etc. Maeckt my, Godt, nu Van alle dingen bloot, Op dat ick u Mach dienen totter doodt, V wille laet mijn wille zijn, Stort u genaedt in't herte mijn. Het vuyr, etc. Steeckt in mijn hert, Een liefde alsoo groot, Dat druck, noch smert Noch honger, noch de doodt, Noch vuyr, noch zweert, noch tegenspoet My van u liefde scheyden moet. Het vuyr, etc. Ick denck, en sucht Wel duysentmael om Godt, 'kRoep met gerucht,
Waer blijft mijn lief, mijn lot? Komt Heer, komt Heer vertroost u Bruyt, Of mijn ziel dat gaet 't lichaem uyt. Het vuyr, etc Geldt, gunst en goedt, En oock mijn Vaderlandt, Vleesch, ende bloedt, Mijn wille, mijn verstant Verlaet ick om u liefd', O Heer! Want ick mijn ziele tot u keer: Het vier brandt seer, Godts liefde noch veel meer.
Cookies on Poetry Cove