Skip to content
1632

Een gheestelijck lust hofken

Anoniem

Op de wijse: Ierusalem ghy schoone stadt. Ofte: Een Ruyter en een meysken jonck.

LAet ons den Heere danckbaer zijn Wilt hem hier loven ende prijsen, Die ons al spijst op elck termijn, 't Is recht dat wy hem lof bewijsen. Die ons, &c. Wilt loven zijnen name soet, Die ons door sijn macht kan versaden Elck hem met lofsang prijsen moet, Dat hy ons spijst door zijn genaden. Elck hem, &c. Vervult sijn wy met spijs en dranck, Door zijn goetheyt tot ons weldadich Dus moeten wy hem spreken danck, Aenroepen zijnen naem ghestadich, Dus moeten wy, &c. Dus u met herten tot hem keert, En vout u handen al bequaeme, En bidt als Godt ons heeft geleert Seggende Vader onser t'same. En bidt, &c. Vader onser. O Heer wy bidden nu voor 't slodt, Wilt doch oock onse sielen spijsen, Op dat wy al na u gebodt, Leven, en 't eewich niet verliesen. Op dat, &c. Wilt haer oock ingedachtich zijn, Die in u liefde zijn verscheyden Dat sy bevrijt van alle pijn, Mogen haer eewichlijck verblijden. Dat sy, &c. Princelick Godt genade doet

Dat wy door Christum eens verwerven Genade door sijn dierbaer bloet Salich te leven, en te sterven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.