Skip to content
1722

Een gheestelijck lust hofken

Anoniem

Op de wijse: Alsoo't begint. GEzwinde Bode van de min, Iesus liefd' alleyn, Gy siet den grondt al mijn sin, Wast mijn ziele reyn: Want ick weet dat ghy zijt Vol van troost, van jolijt en vreucht, Dat een droevigh hert verheught:

Waer ick gae oft stae, kom ick vroeg oft spae, Smelt ick vol van smert Als ghy roert mijn sondigh hert. 2. Als Carbonckels u oogen klaer Bruydegom volmacht, Om te door-stralen u dienaer, Onder 's werelts pracht: Valsheyt, lust, terght mijn sin, Ydelheydt tot gewin, maer ghy Trockt mijn ziel van herten bly: Ben ick kleyn van staet, arm en versmaet, Altijdt zijt ghy goet, En verwacht des Sondaers boet. 3. V Cruys, u Doot, ô Jesu soet! Heeft mijn gansch doorwondt: Mijn sonde die mijn treuren doet, Vyt mijn Ziels afgrondt, Neemt gy wegh minnelijck, En belooft eeuwelijck u fijn Onuytsprekelijck aenschijn: Moght ick u weldaedt in den hooghsten graedt Altijdt danckbaer sijn, Gheeft mijn dat, ô Jesu fijn.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.