Skip to content
1722

Een gheestelijck lust hofken

Anoniem

Op de wijse: O Schoon Maget jent. O Mensch! hoort mijn vermaen, Opent eens u verstant, Hoe langh sult ghy noch staen Op's werelts Lant en Sandt? Wat is doch's werelts pant? Anders dan vliegent zandt, Het welck u metter handt Treckt na den helschen brant. Al leedt ghy al de pijn Die daer is over al, Die daer oyt mochte zijn, Die daer oock wesen sal, Ten waer al niet met al By dat helsche geschal, Daer die tormenten zijn Altijdt sonder getal. Het Bedt daer men op rust, Is niet dan 't helsche vyer. Den dranck die niet en blust: Sijn tranen wonder dier? De spijse is den gier; Muzyck is groot getier, O Ziel, o armen ziel! O Ziel, wat maeckt ghy hier?

Eeuwig te derven, och! Het Goddelijck aenschijn, En daer beneven noch Eeuwigh verdoemt te zijn: O wat een groote pijn? O pijn sonder termijn Te derven Godts, aenschijn, Eeuwig verdoemt te zijn. Den hoveerdigen mensch Die nu nae prachte staet: Sullen de duyvels gins Groeten met bly gelaet: En als een Potentaet Stellen in hoogen staet, Daer Lucifer sijn handt, Sal kussen met versmaedt. Die boose Kinders bly, Die d'ouders zijn rebel, Liegen, en steelen vry, En vechten om een spel, Sullen dan in de hel Al met de duyvels fel Branden in eeuwigheydt: Kinders bedenckt dit wel. Princen die sonder pijn Drinckt sond' als water puer, Sy gaen seer soetgens in, Maer breecken op soo suer, V leven is een uer: En na dees korte uer Soo blijft ons eeuwigh by, Blijdtschap ofte getreur.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.