Skip to content
1632

Een gheestelijck lust hofken

Anoniem

Op de wijse: Nu lovet Godt in 's Hemels throon. NA dat ons lichaem teer en swack, Heeft nu ghebruyckt des slaeps ghemack En wy van onsen bed opstaen, O Heere wilt van ons niet gaen. Drijft alle duysterheyt van 't hert, En oock des Duyvels banden swert, Al onse slaperheyt verjaeght, Dat ons den slaep niet en vertraecht. Reyckt o Godt uwe rechterhandt, Dat wy door u hulp en bystandt

Vlijtigh opstaen en u met sanck, Loven en weten altoos danck. Ons tonge moet u loven eerst, Na u dorst mijn hert aldermeest, Weest o Jesu, die ick bemin, Van onse wercken het begin. Hebben wy door des vyants list, Des nachts van uwe Wet ghemist, O Godt door u genade soet Genadighlijck die schult uytdoet. Christus o Godt wy bidden u, Vervult ons hert met u licht nu, En schickt dat vuyr van uwen Geest In ons kranck hert, en dat geneest, Brengt ons alsoo ten avontstondt Dat noch ons handen, noch den mondt Noch oock dat lichaem, noch 't gesicht. Worden met een'ge sond betight. Doet ons vermijden alle quaet, In spijs en dranck al overdaet. Dat ons geen misdaet en besmet, Of onsen yver niet belet. Laet ons den dagh met 'sherten vreughd Aengaen, en sluyten in de deughd, Leven met vrees en weerdigheyt In uwe teghenwoordigheyt. Genadige vader ons dit geeft, En die met hem ghelijck Godt leeft, O eeuwigh Soon, en Heyligh Geest, Onser altijt barmhertigh weest.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.