Op de wijse: Hy is my onbekent, &c. HOe ligh ick hier in dees ellende Van mijn vijf sinnen gans berooft, Komt siet my aen ghy aertsche bende Die van die werelt wert verdooft, Ghy die altijt in ydel saken, Soeckt uwen geest soo te vermaken. Die Zee-syrene met soet singen Verdooft den stuyrman in het Meer, Dat hy zijn seyl niet kan bedwingen Maer moet vergaen door storm onweer, So doen sy die in ydelheden Verliesen haer verstant en reden. Wat heb ick schonen tijt versleten In te vercieren mijn lichaem, Dat wort nu van die wormen geten, Wiens schoonheyt menich 't hert ontnaem, Niemant en hoeft hier mee te spotten, Want yder moet in d'aerde rotten. Mijn schoon geel hayr dat placht te blincken, En mijn hooft jeughdich cierden seer, Dat sietmen in die aerde sincken, Ach hoe subijt quam dese keer! Mijn schoon coleur is gansch verloren, Sterven most ick, ick was geboren. Mijn leden och 't is te bewenen Daer ick met dansten pertinent,
Die worden nu verrotte benen En nu tot vuyle aerd' ghewent, Mijn vleys dat ander plach te locken, Leyt deerlijck nu in d'aerd getrocken. Mijn mont, mijn stem, als blinckend' snaren, Is nu vergaen als roock oft mist, Wilt ghy nu sien waert is gevaren? Gaet aen mijn graf besiet de kist, Daer sult ghy sien dat vele wormen Mijn lichaem grouwelijck bestormen. Mijn oogen die met soete loncken Verwonden menich minnaers hert, Sijn voor de wormen nu speloncken, Ende bedeckt met d'aerde swart, Mijn wangen die plachten te blosen Sijn al vergaen gelijck de rosen. Mijn lippen root, en witte tanden Verciersel van mijn lieven mont, Mijn wel gemaeckte witte handen, En fraey besneden aensicht ront, Sijn al van d'aerde ingeswolgen Een yder denckt dat hy moet volgen. Mijn huysen al en schoon palleysen, Besluyt ick nu in eenen hoeck, Mijn kleeren schoon wilt overpeysen Sijn nu maer eenen lijnen doeck, Mijn reuck en verwe gekalandert Is nu in vuylen stanck verandert. Heb ick nu goet of quaet bedreven Daer voor sal ick nu loon ontfaen, En rekening geven van mijn leven, Mijn siel moet voor den richter staen,
Kan 's werelts goet my nu doen voordeel Daer ick moet staen voor dat streng oordeel. Daerom ghy die met 's werrelts minnen Verquist nu uwen schonen tijt, Hoe rijck, hoe arm, hoe wijs van sinnen, Weet dat die doot geeft geen respijt, Daerom wilt u nu willich geven Om met Godt eewichlijck te leven.
Cookies on Poetry Cove