Skip to content
1632

Een gheestelijck lust hofken

Anoniem

Op de wijse: Edel Kersou. O Jesu soet, Leyt my in uwen Tempel Door uwen heyl'gen gheest: V te ghemoet, Na Simeons exempel, Dat mijn ziel onbevreest, Die dus lang is gheweest Benaut, en vol van lijden Mach oock van hier in vrede gaen, En eeuwich haer verblijden. Die dus lang, &c. Geeft my te sien,

Met mijnder sielen oogen, V salicheyt, bereyt, Voor al een schijn, Die tot u haer hert boogen, Want mijn ziele verbeyt Alleen u majesteyt, Met een licht in haer handen, Maer ghy die zijt dat eewich licht, Doet mijn licht meerder branden. Alleen u, &c. Maria fijn Reyn onbevleckte maget, Een dageraet ydoon, Die geeft een schijn, Des morghens alst vroegh daget So ghy der Sonnen throon, Brenght ons dat licht seer schoon, Heel vroegh komt ghy oprijsen, Dus singhen wy, weest wellekom, En gaen u eer bewijsen. Brenght ons, &c. Godts moeder reyn, V mijnder wilt ontfermen, Toont my u claer aenschijn V kintghen kleyn, Geeft my in mijnen armen, Druckt dat int herte mijn, Ick bid u door de pijn, Die u hert heeft door-sneden, Dat ick mach wijs en suyver sijn, En lichten door goe seden. Ick bid u, &c.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.