Skip to content
1722

Een gheestelijck lust hofken

Anoniem

Op de wijse: Rosemondt die lagh gedoken, &c. MAchmen niet te recht gelijcken, Dese wereldt by een Val Werelt die aen ons doet blijcken: Dat sy ons bedrieghen sal

Wereldt ghy lockt mijn gemoet, Als de val het Muysjen doet. 2. Satan om de ziel te vangen, Heeft het lock-aes van sijn vreucht In des Werelts Val gehangen Tot bekooringh voor mijn ieucht, En hy lockt my met dat soet Als de val het Muysjen doet. 3't Muysjen in de Val getogen Door de graeghte van het Aes, Voelt sich oversiens bedroogen En 't beklaeght sijn lust eylaes: En het vindt sich heel bedroeft Om een weynigh naeu geproeft. 4 Rijckdom, wellust, werelts eere Staet-sucht, pracht, en hovaerdy: Daer beneffens te begeeren Wellust, weelde, leckerny; 'tIs maer voor een korten tijdt Daer de ziel soo langh om lijdt. 5. Eer men't aes begint te proeven Valt de Val van 't leven toe, En de ziel raeckt in't bedroeven, Want men leeft men weet niet hoe: Heden is men rijck en groot, Morgen leydt het Lichaem doodt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.