Skip to content
1632

Een gheestelijck lust hofken

Anoniem

Op die wijse: Die schoonste die my dus marteliseert, &c. ACh! hoe den schoonsten my martiliseert En swaeren klacht aendoet, Gelijck een Swane lamenteert Wanneer hy sterven moet, Soo blijft mijn herte in persse staen, Om dat my dus mijn liefsten is ontgaen. Als ick bedenck sijn droevich endt, Sijn pijn en wrede doot, Sijn doorne croon in 't hooft geprent, En 't bloedich lichaem bloot, Sijn handen wredelijck wtgereyckt, Mijn droevich hert van rouw' geheel beswijckt. Sijn ogen claerder als cristal Soo jammerlijck ontstelt, Sijn mont gelaeft met bitter gal, O torment, o gewelt! Hoe stont mijn hert geparst in pijn, 'T was u bekent, o Jesu liefste mijn,

Nu is mijn troost ontnomen my, Mijn hert, mijn siel, mijn lief, Want hy alleen my maeckten bly Hy was al mijn gerief. Hoe kond mijn siel in mijn meer sijn, Als my ontginck Jesus den liefsten mijn. Mijn siele smelten in sijn woort, 't Was mijn spijs delicaet, Hoe wel was my als ick hem hoord, 't Was noyt te vroegh of spaet, Meer kan mijn leven niet bestaen, Daer my aldus mijn liefsten is ontgaen. Mijn tranen sijn nu mijnen dranck, Geen troost en neem ick aen, In druck sal staen mijn leven lanck Hoe soud' ick vreugd' ontfaen, Hoe wert mijn hert geperst in druck Hoe swaer valt u mijn hert dit ongeluck. Och wie mocht toch den schoonsten mijn Noch eens aenschouwen doen, Sijn mont, sijn oog, aensicht divijn, Sijn hooft, sijn leden schoon, Maer och, hy my gestolen is, Ach! hoe benaut staet mijn hert in dit cruys. Als nu die son was op gegaen Ick haest ten grave quam, Ick sach het graf wel op gedaen, Maer mijn liefst' niet vernam. In mijn was moet, noch sin, noch spraeck, My docht mijn hert van angst en rouwe braeck Ach Godt u is mijn angst bekent, Neemt my doch 't leven af,

Geeft mijn benautheyt hier een endt In mijnes liefsten graf, Och! quaem een die my tijding bracht Waer doch mijns liefsten lijf is in gelacht. Ick sou hem over bergen hooch En daelen soecken gaen, Het sou den wech mijn droevich ooch Soecken met men'gen traen, Maer 't is om niet, dus herte mijn Ws liefsten doot moet uwen doot nu sijn.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.