Stem: Het viel een Hemels douwe. EEn kindeken geboren Is ons in Bethlehem De harders uytverkoren Met vreughde vinden hem In't midden van sijn Geesten Den herder van ons al In't midden van de beesten In eenen armen stal. Mijn hart en al mijn sinnen Mijn schaepjens alle gaer
Den Herder wilt beminnen Met dese lieve schaer In doeckjens laet haer vinden De Godtheyt onbepaelt Om wwderom te vinden Het Schaepjen afgedwaelt. Om Adam te genesen Weer van de sonde, siet Het ongeschapen wesen Van Godt geworden niet; Den Heere der Heyr krachten Geworden nu een Kindt Dat ghy nae langh verwaghten In eene kribbe vint. Besiet sijne arme doecken En schaemt u van u praght Hy komt u naeckt besoecken Ootmoedigh in de nacht, De werelt is hem tegen Vol van hooveerdigheydt Hy wandelt ander wegen Vol van Ootmoedigheydt. Sijn Ooghjens u vermanen Met haren soeten douw, Bewegen u tot tranen Van een oprecht berouw Siet open nu sijn handen Hy spreyt sijn ermken uyt Loop in die soete banden Met sijne lieve Bruyt. Siet uwen Godt verlangen Na uwe liefde weer
Wilt in u hert ontfanghen Den alderliefsten Heer, Wilt hem alsoo benouwen Dat hy den seghen Geeft En nae een vast betrouwen Ghy met hem eeuwigh leeft. Mijn leden allegader Valt uwen Heer te voet, Omhelst den goeden Vader Die u weer leven doet Buyght u verstant en reden Al onder sijn gebodt In dese kleyne leden Kent uwen Heer en Godt. Blijft hier mijn schaepjens weyden Den Herder niet verlaet Laet u niet meer verleyden Op dat ghy niet en gaet Door uwe schult verloren En derft in eeuwigheydt Hem, die alleen gheboren Is tot u saligheydt.
Cookies on Poetry Cove