Op de wijse: Schoon jonckvrou, ick moet u clagen. GOede Godt ick moet u clagen, Al mijn tegenspoet: Dat mijn ziel alhier moet dragen 't Welck my trueren doet, Moet ick langh u graci derven, En u claer aenschijn, Soo moet ick van rouwe sterven, En van bitter pijn. Siet mijn dagen zijn vol lijden Met sonden beswaert: Sorg', en vrees aen alle zijden, Over my vergaert Veel becoringen my quellen, Te brenghen ten val, Groote sorgen my ontstellen, Swaer sonder getal. Och, wanneer sal 't eynd eens wesen, Van al dit ellent Wanneer sal het quaet mispresen Van my zijn ontwent ? Wanneer sult ghy mijn ghedachten, En al mijn ghemoet, Maken vry van alle clachten, O mijn hoochste goet. Wanneer sal ick hebben vrede Met bestendicheyt: Vrede binnen, buyten mede, Rust en eenicheyt Seer schoon laet my doch aenschouwen
Eens u soet aenschijn Helpt my oock wt dit benouwen, Anders ick verdwijn. Ick ben hier, als een verlaten, Verr' in vreemde landt: By de ghene die my haten, En soecken tot schandt, Dus Heer, met troost wilt u keeren, Tot my in mijn noot, Want tot u strect mijn begeeren En verlangen groot. Al des werelts consolaci' Is my een verdriet: V soeck ick tot alder spaci' Dus my, Heer, aensiet, Maer ick kan u niet genaken: Want mijn vleysch en bloet Druckt my neer, tot aertsche saken Tegen mijn gemoet. Aldus moet ick altijt strijden, Ick onsalich mensch: En my selven dickwils mijden, Tegen mijnen wensch, O wat last lijd' ick van binnen: Als den Geest hooch tracht 's Hemels saken te beminnen Die het vleysch cleyn acht. Wilt, o Heer, niet van my wijcken, Maer vertroost altijt Laet u dienaer niet beswijcken Door des vyandts strijt: Maer verdrijft zijn phantasyen
Door u gratie goet, Die de siel tot alle tijen Eewich leven doet. Machtich Prins, laet u bewegen Al mijn ongeval: Geeft my uwen soeten segen O mijn Godt, en al, Comt mijn hoop, wilt niet vertoeven, Comt mijns herten vreucht, Comt mijn vyanden bedroeven En mijn ziel verheucht.
Cookies on Poetry Cove