Stemme: Langhs de groene bedeckte wegen. NV ben ick den strick ontvlogen, En van 't werelts net ontwert, Godt is't wit nu van mijn oogen: En Fonteyne van mijn hert, Die my uyt mijn hert laet stralen Iesus mijnen Bruydegom Die tot my quam nederdalen, En verloste wederom. Niet en sal voortaen verblijden, My de valsche Werelt meer Maer alleen het Heyligh Lijden Van den alderliefsten Heer: Die my voor sijn Bruyt verkoren, Sonder mijn verdiensten heeft,
Al mijn hert sal hem toehooren, Sonder wien het niet en leeft. Mijn gebeden sullen wesen, Als hy in den Hof begint; In sijn wonden sal ick lesen, Hoe dat hy my heeft bemint, Mijnen minnen brief geschreven, En geteeckent met sijn Bloet, Sal my sijn den hoogh verheven, Name Iesus oversoet. My geen ander kan behagen, Iesus is alleen my schoon, Voor mijn proncksel sal ick dragen Op sijn hooft mijn Doorne-kroon: Met die scherpe tanden kemmen En friseren sal mijn haer, En mijn dartel vleesch soo temmen, Hem belijden openbaer Sijn sweet sal my Blanketten, In den Hof voor my gestort, En sijn heyligh Bloet rosetten, Soo mijn hert gesuyvert wordt: Mijn pedanten, zijn de tranen Vyt sijn oogen neer-gedaelt, Om de Ioden te vermanen En het Schaepje dat noch dwaelt. Voor mijn Peerlen telt de wonden, Soo veel duysent in't getal, En die druppels om mijn sonden Vytgestort, zijn mijn korael: Al die roeden, zweepen, sporen, Die hem slaen met groote pijn
En de nagels die door booren, Nu mijn naelden spellen zijn. Al die ketens en die banden, Daer hy mee gebonden gaet Sijn de ringen van mijn handen: En alleen mijn hals cieraet, My zijn koorden Braseletten Mijnen wayer is sijn Riet: Op die Scepter sal ick letten, Sien wat Iesus my gebiet. Laet de Werelt my begecken, Nu, van al haer banden vry, Mijnen Iesus sonder vlecken, In den spiegel aen mijn zy: Van Maria Magdalene Die het beste deel verkoos, Haer albast're bus ick leene Voor mijn silvere Poeyer doos. Sijnen witten rock en doecken, Sijn mijn hembd' en nacht packet; By Pilatus sal ick soecken Voor mijn handen sijn Lampet: Iesus open houd sijn handen, In het eynde mijn warandt, Mijnen Geest daer in sal landen; 'tKruys sal zijn mijn Ledekant. Het is tijdt van op te houden, Nu mijn Horlogie slaet, My sal nimmermeer berouwen Desen aengenamen staet: Aen zijn zijde wil ick sterven, Met mijn Kruysken volgen naer,
En het Paradijs verwerven, Met den goeden Moordenaer.
Cookies on Poetry Cove