Skip to content
1632

Een gheestelijck lust hofken

Anoniem

Op de wijse: Bedroefde herteken. WAt is, wilt leeren, Dat ydel eeren, Soo hooch braveeren In deser Werlt Daer all' verblijden In corten tijden, 't Geluck in lijden, Sich gantsch verstelt. De macht der eerden, Hoe hooch van weerden, Moet 't schanden werden Hoort jonck en teer

Watmen somtijden, Int ys mach schrijven Sal vaster blijven, Dan menschen eer. O creatueren, Ten mach niet dueren, V triumphieren, Al u jolijt, Op 't leven bouwen, Op menschen trouwen, Is niet dan rouwen, En groot verdriet. Zijt ghy in eeren, Met jubileeren, Met triumpheeren, Nu minnelijck, Na corten tijden, Met swaren lijden, De doot sal scheyden, In oogenblick. Dit is ervaren, Door vele jaren, En tuycht voorwaren Die oude schrifft, Dat menschen kinder, Al hier en ginder, Ten doot hin onder, Sijn hingericht. Waer is nu Absalon, Waer is nu Salomon ? De een was schoon, En de ander wijs,

Sampson de wilde, En stercke Helde, Jonathas milde, Mathusalem grijs. Waer is Virgilius, Waer Aristoteles, Plato, Empedocles Met hare kunst, Haer hooch studeeren, Haer speculeeren, Haer const en leeren, Is al om sunst. Van Ciceronem, heb ick vernomen, Dat hy heeft connen, Wel reden fijn Hem hielp geen reden, Geen clacht, noch beden, Hy moest intreden, Den wech heen in. Men leeft in 's gelijcken Hoe eenen rijcken In 's werelts strijcken Lach wonderlijck, Hy bancketierden, Hy domminierden, Hy sich vercierden Seer costelijck. Na weynich dagen Is hy gedraghen Hem hielp geen clagen, Geen goet, noch gelt Daerom by tijden Wilt u bereyden

Want ghy moet scheyden Van deser werlt. De Paus aendachtich Den Keyser machtich, Den Coninck prachtich Gaen aldaer heer Haer hielp geen schoonheyt, Haer hielp geen cloeckheyt, Haer hielp geen sterckheyt, Gelt, goet, noch eer. Daer helpt geen weenen, Geen medicijnen, Geen kruyt noch steenen, Voor die bitter doot, Neemt hin met schricken, Hoort arm en rijcken, In oogenblicke, Dat leven goet. Wat sijn werelts lusten ? Maer corte feesten, Gheven int leste, Maer angst en noot, Och valsche vreuchden, Ghy doet verleyden End' ziel afscheyden Van 't hoochste goet. Wilt u dan wachten, Voor 's Werelts prachten, En daer na trachten, Beyd' jonck en out, Het zijn maer bloemen, Haer pracht en roemen

Als water schuymen, Verdwijnen haest. O werelts kinder, O arme sunder Keert eenmael weder, Siet aen u noot, De doot sal naken, End' u wis raken, Ghy moet verlaten, Bloet ende goet. O water schuymen, O werelts bloemen, Ghy spijs der wormen, Ghy aerden gront, Cort is u leven, Ghy weet niet even, Of Godt sal geven Den morgenstont. Wilt dit betrachten, Met al u krachten, Steets voortaen trachten Na 't eewich goet, Wilt my nu geven, O hooch verheven Dat ick u leven, Mijn eewich Godt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.