Op die wijse: Comt nu schone Veltgodinne. O Heer rijck en vol genaden Puncten van noden tot een oprecht berou.1. Godt aenroepen.2. Leet-wesen. Hoort nu mijn gebet. Tot u come ick beladen Met mijn siel besmet. 'k Heb verlaten uwe wet, En door mijn misdaden, Steeck in 's duyvels net. O mijn vader God almachtich Wat heb ick ghedaen? O Godt en een mensch warachtich Jesu, siet my aen, Ick koom als den Publicaen, Weest mijnder gedachtich En wilt my ontfaen.
Eylaes hoe groot sijn mijn sonden Hoe groot sonder tal, 3. Belijdinge der sonden.Dies ick ween wt 's herten gronden In dit droevich dal, 'T is my leet al mijnen val, Maer ick nu van sonden Tot u keeren sal. 'T is my, &c. Veel liever soo wil ick sterven Sijn in sware noot, Jae mijn lichaem laten kerven 4. Propoost van beterschap.Branden totter doot, Dan dat ick o Heere groot, Mijn siel sou verderven Derven uwen schoot. Dan dat, &c. Maer ick wil my voortaen wachten, Laten alle quaet, Bewaren al mijn gedachten, Mijn werck, mont, en raedt, Biechten oock al mijn misdaet, Mijn siel beter achten, Godt compt my te baet. Biechten, &c. Voor mijn swaer en veel gebreken V Godt geef ick weer, 5. Penitentie.Wat ick doen sal ofte spreken. Siel en lichaem teer, 'T moet al sijn tot uwe eer, Wilt mijn stricken breken Verquickt my o Heer. 'T moet al, &c.
Ick hoop ghy sult my vergeven Door genade soet, 6. Hoop en betrouwen van vergevinghe. Door u doot, en oock u leven, Door u dierbaer bloet, Hier in heb ick goeden moet, Mocht mijn hert aencleven V voort in het goet. Hier in, &c.
Cookies on Poetry Cove