3.
Weest maar vrolyk, wilt u verblydon
En verlustigen in het woud,
Nu dat men u in deeze tyden,
Langer niet als gevangen houd;
Maar u de libertyd weer geeven;
Meugt genieten de vrye vlugt,
Wilt op u vlerkjes heenen zweeven,
In aangenaamheid van de lugt.