D
De Fonteyn is ontsloten.
Den Heer wilt singhen met jolijt,
Die hier leven en Godt minnen.
Den tijdt is hier.
De lustelijcke Mey ons openbaert,
Dat reeder een Ridder uyt jaghen.
Dat Iaer is langher als den dagh,
Door liefd en deucht wilt zijn verheucht.
Die sijn ghemoedt bly sal verheven.