[EY Zoïle, maeckt niet soo veel ghekrijts]
EY Zoïle, maeckt niet soo veel ghekrijts,
Noch schimpigh smael, maer wilt voor al in tijts
Doch laten af van dijn verachtingh bijtigh:
Want of ghy schoon ontsteken zijt vol nijts,
End' lasterlijck al meer en meer verwijts,
Homerus zijt tot zijn verkleen opsmijtigh,
'T en helpt al niet, hy is in Konst soo vlijtigh,
Dat elck hem lieft, dit werckt hem veel bevrijdts,
Als ghy hem smaedt, dus hoe ghy dy toont spijtigh,
Men schuddebolt end' lacht met dy weersijdts.
Doorsiet den grondt.