Op den Dijnsdagh.
DEs Dijnsdaghs eygenschap is Manlijc yet uytrechten,
Want Mars seer heet end' droogh is desen toegewiet,
Dit Marsche Sweve-licht, is groots in werckx bediet,
Den Ram en Schorpioen moet huysigh hem bevrechten.
Op d' aerd' is Mars geweest geheel geneygt om vechten,
Met vyer, brant, schilt en sweert, men hem geschildert siet,
Den fier ghehelmden Haen is onder zijn ghebiedt,
Die vroeg met schal verwect den wreec-lust in zijn knechten.
De weeld' hadd' hem gevoedt, hy vont het wapen tuygh,
Metaligh, ijs'righ, scherp, ghehackelt, woest en ruygh
Was zijn ghelatentheyt, noch felder zijn bespringen.
De Jonghelinghen licht, van wesen recht als hy,
Behoorden met verschrick van twist te blijven vry,
End' in haer Dijnsdaghs tijt te doen deugd-rijcke dingen.