Skip to content
1667

Den minnelijcken roosen-knop

Anoniem

Ander

DEn groenen ROOSEN-BOOM, omringelt met sijn Bloemen, De Eere van den Hoff, met reden ick magh noemen,

Syn Bloem den reuck vermaeckt, en het gesicht verheught, Maer uwen ROOSEN-KNOP, veel soeter voor de jeught, Want desen ROOSEN-KNOP, vol MINNELYCRE thoonen, Vermaecken sal de jeught, soo die tot Loven woonen, Als by het Princen Hoff, en voorder over al, Al-waer dit vreughdigh Boeck, in handen komen sal. Al die van minne-quelt, vint heelingh voor de MINNE, En door een soete Liedt, sal oock een Herderinne, Aff-keeringh van haer Lieff, liefd' thoonen haeren Vrint, Soo kryght een Herders-Kint, door sanck te sijn bemint, Hy die den droeven geest, in vreught soeckt te vermaecken Van droef heyt wordt verlicht, soo hy alleen kan naecken, Den soeten ROOSEN-KNOP, want door een soete klucht, Het droeff en swaer gemoet, verandert in ghenucht. De Vrinden die by een, uyt MINNE sijn ghekomen, Die worden door den dranck, en sanck soo in-genomen, Dat alles is in vreught, en volle vrolijckheyt, Soo grooten troost en vreught, den ROOSEN-KNOP bereyts

Voor die hem nemt ter hant; want hy vol vrolijckheden, Vol MIN en Herders-Sanck, Drinck-Lieden, Boertigheden Van d'eynde tot t' begin, nempt hem en leest met lust, Hier vindt gy wat gy soeckt, tot vreught en soete rust. En als gy van 't beghin, tot d'eynt hem hebt door lesen, Seght met een vry gemoet, die Kaemer dint gepresen, Die van den ROOSEN-BOOM, soo vele KNOPPEN heeft, Dat sy een ROOSEN-KNOP, uyt MINN' ten besten geeft. Laet ons den ROOSEN-KNOP, de Lieff-Hebbers die woonen, Tot Loven uyt ryn MIN, met ROOSEN gaen bekroonen, En dat Om Beters VVil; Eer Loff en Prys de ROOS. Door die den Bant Vermant, met BOECK en TYTELOOS.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Den minnelijcken roosen-knop · Anoniem · Poetry Cove