Rotterdam.
Wy gelijcke blomkens, uyt-gezondert de coleur,
Van een wesen, een cracht, en van een nateur,
En alhier goet jonstich, met Minnen verzamen,
Verzoucken zeer vruntlicken, dat ghy ten faveur
Van Rethorica, afbeelt der Tyrannen rigeur,
Haer loven, haer beginne, haer eynde, met namen,
En hoe zy meest al elendichlick omme quamen.