Op een bekende Voys. Ionge Dogter. Sinnen, benje genege tot minne, Mach ik doch troost verwinne? Iupiter aenhoort doch eens mijn droevig klagen: Ik ben tot droefheyt geboren, Waar vind ik mijn uitverkoren? Ik ben verlaten, wat nu gedaen? Ionkman. Treur niet Clarinde, Gy zijt mijn schoon beminde, Dat ik u noit nimmer sal verlaten; Daerom stelt geen bezwaren: Wy zullen t’samen paren, Als Twee te samen wel ver-eent. Ionge Dogter. Liefdem dat gy my eens geriefde, Iupiter dat het u beliefde? Dat gy my eens minde, na mijn zinne, Cupido wilt mijn onder rigte, Venus schiet met zijn schichten: Ach! ach ik ben met Liefde belaen! Ionkman. Mijn Leden, zal ik aen u besteden, Sprak hy met soete Reden, Ik sal noit geen ander Kloris minne, Niemand kan my bekoren:
Gy zijt voor mijn Geboren, Tot dat de Dood ons scheiden zal. Susje schenkt my een kusje, En ik u minne lusje: Met mijn liefde pylen wel doorschieten; Ik kan geen ander vinden, Wy sullen met ons twee t’samen paren: Als twee Geliefde in den Echt. Godinne, de Liefde brand van binne, Ik sal u trouw beminne; Haer schoon ogen, hebben my bewogen, Het kan niet anders wesen, Gy zijt mijn uitgelesen: Als in Liefde oprecht verband. Ionge Dogter. Echo, ik leef in droefheyt met Iuno, Helpt my doch Apollo, Of ik bender aen alle kanten verlaten; Daerom laet mijn verschuilen, Werpt my in u donkere kuilen, Dat ik mach varen in Karons boot. Ionkman. Ach mijn schoon lief van waerde! Mijn engel op der aerde: Wy sullen trou aenvaerden, Daerom wilt maer onthouwen, Wy sullen zamen Trouwen; Leven in geluk als Vrouw en Man.
Cookies on Poetry Cove