Skip to content
1744

Den dapperen prins Karel van Lotharingen

Anoniem

Voys: Die van Abram wild hooren AAnhoord eens Vrienden waerdig, Wat dat'er is geschied, Een stuk aenmerkens waardig,

staat hier al in dit Lied: 't Geen buyten Utregt is Gebeurd neemt het dog aan, Gy suld seker en wis Daar van verwondert staan. Buyten Utregt daar wonen, Rijke lieden onthout, Die een eenig sone, hadden van drie Jaar oud, Al op een Hofstee groot, woonden sy met playsier, Maer laas een droeve nood Quam haar genaken siet. Haar lief en waarde zone Wierd daar gestoolen snood, Daer kost geen zwaarder hone Voor haar zijn tot'er dood, Men rost en reyst al 's weegs, Weken en maanden dan, Maar laas al te vergeefs, Men hem niet vinden kan Dit Kind moest reysen henen, Al met de Heydens straf, Wel tien Jaar agter eene, Toen liep hy van haar af, Door al de ongemak, Met slagen en verdriet, En in sig selven sprak Het zijn mijn Ouders niet. 'k Zal nu gaan dolen heden, Ik ben geen Heydens kind, En soeken alle steden Of ik mijn Ouders vind, Want ik heb wel gehoord, Al van een bedelaar, Die my vertelden voort Dat ik gestolen waar. De bloed die ging dan henen, Met droefheyd zwaar belaen: Niet ver van de stad Weenen, In Duytsland wild verstaen, Daer klaegden hy syn nood, Aan een Heer op de weg, Die gaf hem geld en brood, En wees hem voord te regt. Hy dwaalde soo twee jaren, In steden en op 't Land: Maer syn Ouders voorware: Hy nergens niet en vant Ten lest soo komt hy gaen, Tot Utregt in de poort En spreekt een schipper aan Om mee te varen voort. Zijn vader was voorware, op die tijd in de schuyt Om t'Amsterdam te varen, Die sprak daer

overluyd, schipper neemt hem maer mee, 'k Zal u daer voor voldoen, komt jonge hier is een stee, Wildt u van 't land maer spoen De schuyt ging daer aen 't vare, den Heer sprak wel gy-quant, Hoe oud bent gy van jare: Van waer komt gy geland? Og dat en weet ik niet: sprak dese jonge rad, Ik ken tot mijn verdriet Geen Ouders nog geen stad. Ik ben voorwaar gestole: Al van mijn ouders snood, En meen so lang te doolen, na haar al tot'er dood, Want het staat my nog veur, dat ik was in de rouw: En van mijn ouders deur: Wierd weg genomen gouw Den Heer ontsette seere, sijn hert begon te slaen: og mijn kind jong en teere: Dat is ook soo vergaen Doen het was in den rouw: over mijn Zuster klaar, Zo stolen sy 't kind gouw En 't was nog geen drie Jaar. En nu so moest hy wese: een borst ontrent als gy, Van vyftien Jaer by dese, mijn bloed verandert my Jongman seg mijn nog wat, van heugenis t een of 't aar: Ik weet seyd hy ik had: Een Lam my volgden naar. O Heer hier komt nu vooren mijn eygen vlees en bloed: doen hy van 't lam quam hooren: zo zey hy met 'er spoed: mijn kind had ook een Lam: En was daer mee heel blijd: 'k Voer ook na Amsterdam: Toen ik hem tuis rogt quyt. Komt trekt met een gezwinde: u kous en schoenen uyt: 'k Zal daer een teeken vinden: zeyde hy overluyd: mijn kind zijn kleyne Teen: is afgezworen hart: en boven aan zijn been: staat ook een moerby zwart. Doen dese jonge hoorde: die tekens spreken daer Og Vaderlief die woorden: bedieden nu heel klaer

dat ik u kind dan zijt: Vloog hem om den hals ras: Geen mensche soo verblijd Als Vader en Zoon was. Die in de schuyt dan waren: zagen dees tekens klaar: Og wil niet verder varen: sey hy de schipper daer: Zet ons te land maer aen: de vragt gy dubbeld wind: 'k moet na mijn Huys toegaen met mijn verlooren kind. Geen vreugd was so te noemen, als Vader en Kind daer: Doen sy sijn thuis gekomen: denkt hoe de moeder waar: Die daer haer lieve kind, weer ziet met so een vreugt Geen blydschap men ooyt vind, dat soo den mensch verheugt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Den dapperen prins Karel van Lotharingen · Anoniem · Poetry Cove