Op de Wys: Van den Spaansen Ruyter.
WEl vrienden hoort eens aan, En blijft een weynig staan, Wat ik u ga verhalen, Uyt Straatsburg die schoone stad Geleegen in de Franse paalen Vrankrijk geen schoonder had. Gy sult wel weeten dat, Prins Karel Oorlog had, Om over den Rhijn te raken Dan Fransen Generaal, Meenden hem soo moe te maken, Dat hy niet over quam Des snagts hoort mijn bediet: Is de overtogt geschiet, En dat op drie vier plaatsen, In den Elsas dat schoone land Quamen sy aldaar met haasten, Met het swaart in de hand. En versloegen het leger daar, Van de Keyser en Vrankrijk klaar, Dat haar wou tegen houwen, Sloegen het heel op de vlugt, Jaagden dese Franse bouwen, Als 't stof soo in de lugt. Daar op Retereerden zy, En rogten in de ly, Wierden daar soo verslagen, De Boeren met haar vee, Die ontvlugten ook dees lagen, En riepen al og wee. Den Fransman hoort ook aan, En dorst niet blijven staan, Loopen was 't beste wapen, Riepen Boertjes met u vee, Wilt niet langer hier staan gapen,
Maar gaat dog dadelijk mee. Daar op was 't vlugten hier, Elk met een groot getier, Nam mee wat hy kost dragen, Het vlugt al wat het kan, Den Boer met paart en wagen, Ook te Straatsburg in quam. Karel met zijn leger daar, Ontsag daar geen gevaar, Met sijn dappere panduuren, Neemt het Land geheel soo in Verderft over al ten vuuren Dat was na Hoesaren sin. Sy sijn gevlugt al agter uyt, Lieten kogels ende kruyt In de hand van de Kroaten, De een Stad voor de ander naar Hebben zy daar gaan verlaten Vlugten malkander naar. Nu sijn sy gekomen daar By Straatsburg voorwaar, Wilden daar voor gaan vegten, Maar Prins Karel heel niet luy, Wilden sijn standaar opregten, Maar sy liepen al den bruy. Zoo dat elk Burger siet, In het Straatsburgs gebied, Roept aan Lou's O Koning, Maakt dog vree met Oostenrijk, Want se nemen onse woning Met ons vee en geld gelijk. Het Brood, Boter en and're spijs Is seer duur voor dese reys, Huysen sijnder niet te huuren, Soo dat elk hier denken kan,
Wat dat den Boer hier moet besuren, Soo de Vrouwen als de man. Oorlof Hollanders altemaal Die hier sijt in groot getal, Eert onze Heeren Staten, Dat sy den Oorlog fel, Weeren hier van onze straten, En d'vree beminnen wel. En looft dog boven al, Onse God met groot geschal, Voor zijn goeddadigheden, Die ons de lieve vrede gunt, Ja gund ons vreden hier beneden En hier namaals zaligheyd.
Cookies on Poetry Cove