Skip to content
1744

Den dapperen prins Karel van Lotharingen

Anoniem

Stem: Vrouw Venus Velde. VRienden luistert na dit Liedeken, Dat ik zingen zal, een soet geval, Van de Goesse Meysjes fier, Al met veel pleizier: Hoe sy haar opschikken gaen, Na de mode wild verstaen En dat voor eerst met kaphoedjes

Die sy setten op, tot in den top, Een roos rood lind daer an, En wat denkje daer van, En dan ook wel net Roode zyde daer in geset. Engels hoedjes dragen sy mede Na de mode jent, seer excellent, En een strookje daar om, Van tien stuivers de som: En van binnen geel vrond, Of Citse met witte grond. En ook mutsjes met esel oortjes Dragen sy koen, na nieuw fatsoen Sy poeijeren adret, Haer haertje wit en net, En mutsjes seer net voltooit, Voor een dubbeltje opgeplooit. Swarte kraeltjes men noemtse gitte Met goud ingeleid, alsoo men seit, Koralyne kraeltjes kleyn, Dragen ook ongemeyn, En dan ook minjoot, Bloetkralen net en root. En des sondags als sy gaen te Kercke, Een lange mantel koen, die sy aandoen een zyde kappe daer op Het staet gelijk een pop, Of een kap jent en koen, Dat sy onder haer keel toe doen. En ook krulletjes met bellen Dragen sy mee, in dese Stee: een goude ketting uit vals Dragense om haer hals, en in haar oortjes kleyn, Dragense orlietjes fijn.

En ook mooije geblomde manteltjes Van Citse of katoen, Die sy aandoen, En van een blommetje ligt, 't Is voor de Jonkmans gezigt Want dit seg ik daer van, 't Is om te krijgen een Jonkman, Dat sy haer soo gaen opschikken Boven haer staet fier, gelijk hier Want de Mevrouwen van de Stad Die loopen niet soo hups en prat, Als die Goesse Meisjes fier, Die haer opschikken na de zwier. Hoepelrokken dragen sy mede, Van twee drie hoog, my vry gelooft, Gedrukte Koussen staet gereed, Gestikte keuse wijd en breed, Men sou seggen aen haer pragt, Dat zy zijn van van eel geslagt. Ja zy hebben daer ook nog mede, Een beugeltas op zy, dees meisjes bly En daer in ook mee, Een doosje met Rappee, Dat zy prezenteren prout, Als zy samen sitten in 't rond. Maer dit moet ik ook niet vergeten, Fruweele mofjes fier, dragen sy ook hier, met een goud haekje toe, 't Staat soo prat ik weet niet hoe En de moutjes net en koen, Daer sy mee knoopjes in doen. En ook mooije gedrukte muyltjes Dragen sy prat, pronk van de stad Gestikte muyltjes jent, Dragen zy excellent, En dan ook minjoot

Kousjes sneeu wit en rood. Maer voor al Goesse Meisjes Veragt de vrome niet, Gelijk hier geschied, Laet yder voeren in zijn schild, En ook dragen dat gy wild, Gelijk als ik en gy ook doen, Wy dragen kleeren na nieuw fatsoen. Oorlof gy Goesse meysjes Ik schrijf niet meer, voor dese keer, Maer die dit heeft gedigt, Geeft hem geen quaad gesigt, Want dit zeg ik klaer, Hy kan nog meer voorwaer. Oorlof gy Goesse Dogtertjes Ik ra u maer ten best, al voor 't lest En schikt u niet meer op Gelijk een kermis pop, Want het is de beste daet Draagt kleeren na uw staat.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Den dapperen prins Karel van Lotharingen · Anoniem · Poetry Cove