Skip to content
1774

De zingende koddenaar

Anoniem

Op een Aardige Wys. 1. Een kuppertje vol jaloerse pijn, Vreide een Meysje jong van Iaren; En hy dagt haar Man te zijn, Maar hy kan haar niet behagen: Hy was een Vryer na haar wil, Veide het Meysje in het stil, Kuppertje kuppertje goede Gesel, Werkt en maakt jou kuypje wel.

2. Eens in de grond van eene Kuyp, Zat daar een Vreyer vol van Minne:

Terwyl dat d’Aar stond op de sluys: Trad deeze Gryzaard de winkel binne Door de zoete min volmaakt, Het voorwerp van de Minne sprak, Kuppertje kuppertje goet gezel: Werkt en maakt jou kuypje wel.

3. Kuppertje heeft geen agterdogt, Hy werkt altoos even spoedig, Maar siet terwyl dat hy wrogt, Van zijn Hand niet minder moedig: En op zijn lieve Vrysters hand, Vermogt hy altyd na de trant: Kuppertje kuppertje goede Gezel: Werkt en maakt jou kuypje wel.

4. d’Een is verslonde door zijn brand, En wel te vreede van beginne, Niet vergenoegt met eene hand, Tragt om nog wat meer te winnen: En tegens het oor van de oude pry; Gaf hy haar nog een Zoen of dry, Kuppertje kuppertje goede gezel, Wrkt en maakt jou kuypje wel.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De zingende koddenaar · Anoniem · Poetry Cove