Stem: Hoe leg ik hier in dees Elende. Ach menschen wilt u dog bekeeren, Aanschouw de plagen in ons Land De Heer die is op ons vertoornt, Als men nu ziet aan alle kant: Tot tweemaal krygt men nu de plagen God kan ons zonden niet verdragen. Men ziet de Beesten nu weg slepen, In Holland Vriesland; overal Als mede Drenthe en allerwegen, Gelyk een Pest op het aardsche dal Zo komt den Heer ons nu kastyden, ’t Is om de zonden dat wy lyden. Bedenkt maar eens de oude dagen Die nu al zyn voorby gegaan:
Wat hebben d’oude niet al plagen, Voor hunne Zonden ondergaan, Het schynt nu wel in Noachs tyden In deze wereld moeten wy stryden. Het schynt ’t is in de laatste dagen De waareld is nu gantsch verkeert: De Koningen nu altemalen, Een ieder neemt weer op zyn zweerd En gaan tegen elkander stryden; ôGod! wat wonderlyke Tyden. God strafte eerst ons Lant met Muysen En hooge Watervloed hoord aan Op dat wy ons zouden bekeeren Maar wy gingen daar weer op aan, En kostelyke Huyzen bouwen Maar niet op onzen God vertrouwen. De hoovaardy en weeld’rig leven, Daar is onze Herte mee vervult: Menschen roep aan God den Heere Want ziet het is ons eigen schuld En laat ons den Heer nu roepen aan, Dat wy niet al gelyk vergaan. De arme menschen op de wegen, Die werd verboden om te gaan: Maar wy kunnen dog niet mee slepen Het komt ons van den Heer van daan, Die straft ons door ons boose zonden: Als in de Schrift werd klaar bevonden. Ach wilt u dog op God verhopen, Waar krygt de eerste het van daan, Gy kunt uw Godt dog niet ontlopen, Of zyne plagen niet ontgaan. Als Koning David komt te spreken, Al in zyn woort hier tot een teken.
Wat hebben wy al zwaare plagen: In ’t vrye Nederland gehad: Van Zee Worme die de palen knagen, En ook de Muyzen op het Land: En aten ’t gras al van de velden, Waar door ons Hert geheel ontstelden. ô God wilt ons verder bewaren! Voor Oorlog: pest en dieren tyd: En helpt dog uit het bezwaren: Dat wy niet vallen in den Stryd: ’t Is beter in de hand des Heeren, Wilt u dog al tot God bekeeren. Niet lang geleen zag men verschynen Een Styarre aan het firmament, ’t Geen duurde lang eer ’t ging verdwynen: Gelyk van yder is bekent: Maar gingen ons niet bekeeren: En daarom komt de straf des Heeren. Noach die liet een Arke bouwen, Zy gingen hem bespotten hoord; En niet op hunne God betrouwen; Daarom zoo quam de Zundvloed voort Toen wilden zy haar wel bekeren: Maar doe was het te laat ô Heeren! De Roede zag men daar toen schynen, Al aan de Starren hoort dit aan, Waar door onzen God weer komt te dreige: Soo wy ons niet bekeeren gaan: Soo zal een zwaarder Oordeel komen, Waar voor dat alle Menschen schromen.
Cookies on Poetry Cove