Skip to content
1774

De zingende koddenaar

Anoniem

Op een Fraaye Wys. Als Iupyn kwam sluypen, Eens by Dianaë, Brak ’t dak door ’t druipen, Door zyn goud aan twee, Door deze list, door deze list, Quam hy haar groeten, Tot op het dons, tot op het dons: Daar Venus rust, Het goud kan boeten snode Minne-lust.

Wat was ’t dat u porden; Om u eigen Knegt, Tot een boel te worden, Segt dit my eens te regt, Of dagt gy niet, of dagt gy niet, Dat het besmetten, Van ’t Egte bed, van het Egte bed; Nooit straffeloos bleef, Daar een snol zig wetten, Die na onkuisheid streeft. Zyn hier dan geen vrugten, Van het Egte Goud, Dat gy my doet zugten; En myn Trouw ontrouwt, Neen wyfje lief: Neen wyfje lief, Gy doet my zugten, Daar gy my siet, daar gy my siet, Gepluimt op ’t hooft, Door die geile lusten, Wort onze min geklooft. Nu zal ik myn wreeken, Liederlyke vrouw, En zal u doen steken, In de haagsche kou, Of in een zaal, of in een zaal, Van vier steenen Muuren, Daar rissigheid, daar rissigheid;’ Haar doelwit mist, Daar kund gy betreuren, Uwe geile lust.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De zingende koddenaar · Anoniem · Poetry Cove