Stem: Luystert toe gy Venus Dieren. Ik ben een Prinsje van de Wereld, Met twee schatte zeer net bepereld; Een stam van ’t Menschelyk geslagt: Men Eerd hem meer als eene Koning, In Broek en bos hou ik mijn woning, Mijn Oorlog voer ik meest by nagt. Mijn hooft word nimmermeer geschoren: Ik ben maar met een oog geboren, Die staat in ’t midden van mijn hooft; Kan ik niet zien ik kan wel voelen, Wanneer ik ga mijn brand verkoelen, Word ik van Merg en bryn berooft. Ik heb twee Knegte die my volge, Wanneer ik quaad ben of verbolgen, En op een mooye Meid verstoort: Kom ik dan in haar zoet gerommel? Dan danssen zy met zoet gestommel? Gestadig voor haar agter Poort. Ik heb geen kouse schoen of stevels, Ik heb geen spits-gekrulde knevels, Ik heb geen Lever Nier nog Long. Ik heb geen gal nog ook geen darme, Ik heb geen handen voet of armen; Ik spreek met geen dubbelde Tong. Mogten zy mijn voor Geld of kopen, Men zou de Meisjes wel zien lopen, Zy kosten mijn voor kant en kaf,
Voor Goud of Peerlen of pedanten, Zy droege myn voor Diamanten, In ’t midden van haar Iufferschap. Mogt menig meid of brave Ioffer Myn sluyten in haar binne koffer Of by haar steken in haar zak; Sy zouden myn veel meer hanteeren, En in haar binnenste kamineren. Meer als de kramer zyn Almanak. Wel Iuffer raad hoe mag dat weze Gy kund het met drie Letters leeze, Zyn naam is draey nog zwier of krul Is links van agter en lugt van voren De beste is met lugt geboren: Het Prinsjes naam dat is een L....
Cookies on Poetry Cove