Op een Bekende Wys.
Waarom zou men niet vrolyk weezen,
Al schoon gedrukt,
Doch niet gebukt,
Word Vryheid! steeds door ons gepreezen;
Zoo lang de Koning leeft,
Men voor geen onheil beeft.
Vernoegt en bly in onze woning,
Bevryd van Slaaf,
Geëert van Graaf,
Beschermt ons thans een magtig Koning,
Die Edelmoedig denkt,
En ons de Vryheid schenkt.
Daarom laat ons maar vrolyk weezen,
De rust en vrêe,
De liefde mêe,
Die alle rampspoed doet geneezen,
Beminnen volgens plicht,
Waar voor een Dwingland zwigt.
De twist het werktuig onzer rampen,
Verdoemen wy,
Aan onze zy,
Nooit moet 'er Bato's kroost mee kampen,
Zo lang de Waereld slaat,
De Vryheid boven gaat.
Laat ons dan onze vrye handen,
ô Broeder Schaar!
Slaan in elkaar;
Bevryden we ons van smert en banden,
Lang leeft Louis de Vorst,
Die voor de Vryheid dorst.