3
De roode Roosen blaaden,
Van binnen in dat schoon,
Met wit albast belaaden,
Met een gevlegte kroon, bis.
Ik aanschouw het op myn kniën,
En kon van vreugd niet zien,
En niemand kwam my moeijen,
Ik ging dien Roos besproeijen,
Waardoor haar schoonheid bloeijen,
En meerder Roosjes teeld,
Hoe streeld, hoe streeld,
My dat aangenaame beeld. bis