3.
Myn zuivre ziel tart alle smarten,
die my steeds worden aangedaan,
Ik kan hem nimmermeer van harten.
Zo als te voor, beminnen gaan,
ô neen ik zal het alles meiden,
Het huwelyk baard veeltyds verdriet,
'k zal my in myn staat verbleiden,
de vryheid kent zyn rykdom niet.