2.
Schoon dat de Angelieren,
Ook lieflyk zyn van lugt,
Dat geeft doch geen plaizieren,
Aan Venus Minnezugt, bis
Geen schoonder Bachus zoon,
Die overtreft dat schoon,
Nog kan dat zoet niet smaaken,
Van aan die Roos te raaken,
Waar alles na moet haaken,
Om die aangenaame geur,
Een kleur, een kleur,
Daar straald een schoouheid deur, bis