2.
Hoe weiden onze schaapjens saamen;
Hoe zongen wy een vrolyk Lied;
Als wy in veld of bosschen kwaamen;
Door d' Echo maar alleen bespied:
Hoe menigmaal hebt ge in de laantjes,
Van 't boschje in myn arm gerust,
Hoe dikwerf heb ik liefden traantjes,
Van uwe koontjes afgekuscht.
Wy zongen, wy sprongen, wy kenden geen nood,
Wy aten te saamen ons Kaas en Brood,
Uw Hoofdjen dat rusten in mynen schoot;
De liefde was sterk, gelyk als de Dood.