Stem: Hoe quelt de min. Hoord menschen al wat wonderlyk geval; Dat ik u zingen zal, Hoe dat Helena, ziet; kwam in zoo zwaar verdriet: Dees heel historie zal ik u verklaren, Na leven, lyden en haar droef gevaaren, In druk gesteld zoo ons dit lied vermeld. Dees edel Dam’ uit koninglyken stam, Onnozel als een lam, Na haare moeder dood geraakt in droefheid groot. Haar eige vader kwam haar trouw te vrage In haar schoonheid nam hy behagen; Want haar gelyk vond men niet in het ryk. Ach vader myn, sprak Helena ryn, Deze trouw mag niet zyn; Zoekt elders uw profyt mits dat gy Koning zyt. Laat uw geboden door uw ryk verkonden; Vreest God zyn plage voor zo grouwzaam Zonde, Die u en my kan straffen alle by. Helena zag dat ‘t haar niet baaten mag,
Haar vader geen verdrag Bedwong haar met geweld, de trouw was vastgesteld: Waar op Helena droeg begon te zugten, Om dit te schuwen ging zy van hem vlugte Ter middernacht daar niemand op en dagt. In korten tyd heeft s’haar op zee beryd In kostelyk habyt: ’t Schip met koopmans goed, eylaas wat tegenspoed? Moest aan de rovers zig gevangen geeven Niet als Helena die behoud het leeven, ’t Mans geslagt werd al ter dood gebragt. Den Capityn van dezen rovers tryn, Wou deze Maget ryn Berooven van haar eer; maar ziet eens God en Heer? Een zwaar tempeest kwam hun op zee te plaagen, De roovers zyn te grond geslagen, Met schip te gaar in stukken van elkaar. Twee dage lank dreef zy daar op een plank, Geen voedsel, spys of drank, Van hongersnood verflout, tot Londen aan een wout. Koning Henricus heeft dees maagd gevonde Met al zyn Heeren die verwondert stonde Van haar gelaat en koninglyk cieraad. Hy vraagt aan haar, door wat een vreemd gevaar, Zy is gekomen daar: Zy heeft zyn Majestyt haar avontuur gezyt:
Dog en wist niet uit wie zy was gebooren Hy heeft Helena voor zyn vrouw verkoren Als Koningin tegens zyn moeders zin Helena schoon was in den Konings woon Verheven tot de kroon, In vrede en genugt, tot dat zy was bevrugt. Haare man die moest van haar gaan schyde Om in het veld den vyand te bestryden; Hoort ’t verdriet wat dat haar is geschied. Zyn moeder fyn beminde haar in schyn, Maar in haar hert fenyn, Zogt s’haar brengen ter dood met list en valschheid groot. Na twee zoontjes die zij kwam te baaren, Schreef zy den Koning dat twee honden waren Die tot zyn schand bevlekten heel het land. Den Koning nouw, zyn hert dat berst van rouw Om zyn beminde vrouw, Die deze valsche list niet van zyn moeder wist Hy heeft Helena eenen brief geschreven: Bewaar die schepzels van den Heer gegeven Aan u en my, tot dat ik kom daarby. Door duivels zin, die oude Koningin Verwagt den post uit min, Die zy met goede sier verschonk met wyn en bier Uit zyne maal heeft zy den brief gestolen, Voor vals geschrift en aan Ruwaart bevolen. Kinders en vrou dat m’hun verbrande zou
Zoo den Ruwart had dezen brief aanvaard, Den schrik viel hem op het hert Van zo een straf gebod. Hy riep: o grooten God? Wat zal ik hier in deeze zaak beginnen, Zo felle dood voor zo een Koninginne, En zwaare pyn met haar twee kinders klyn. Helene zaam had dezen brief verstaan Dat zy moest sterven gaan, Viel den Ruwart te voet met traanen overvloed; D’onnozle vrouw die riep zo menig werven: Spaart myn twee kinders ik wil geerne sterven, En spaart my niet als ’t myne man gebied. Haar regter hand moest door den beul van kant, Met ring van diamant In een koffer geleid: maar van de dood bevryd, Met haar 2 kinders moest zy henen vaaren Op Gods genade door de woeste baaren; Maar door Gods kragt wierd zy te land gebragt. In eenen bosch daar Leeuwen, Wolf en Vos Verschuilen wild en los; Haar kinders alle by beroofden s’aan haar zy; Waar op Helena droef begon te zugten,
Waar zal ik henen of waar zal ik vlugten Daar mynen man my nergens vinden kan. Den Koning ziet kwam t’huis, o zwaar verdriet? Vond zyn Helena niet: Waar is myn lieve vrouw en myn twee kinders nou? Zyn Ruwaart die word benout en bange, Toont hem de brieven die hy had ontfange Door valsheid groot, Helenaas vonnis en dood. God die ’t quaad niet ongestraft en laat Zyn moeder vals verraad; Voor heel het Parlement word haar misdaad bekend: Den valsche zegel vond men tot schande; Hy deed zyn moeder in ’t vuur verbrande Een felle dood voor al haar boosheid groot. Helenaas vaar en haaren man te gaar Was dikmaals by malkaar, Vol droefheid en berouw om kinders ende vrouw: Zy hebben zamen een accoord geslagen Zo lang te zoeken tot dat s’Helena zagen, Die was van haar wel twee-en-twintig jaar. In ’t Fransche land daar hy syn soonen vand En ook Helenaas hand, Die by de kinders was besloten in een kas Die het een gewoon was aan den hals te draagen, Dede den Koning aan syn soonen vragen
Op ’t zelve pas waar dat hun moeder was. Ach waarde vaar, wy hebben sestien jaar By eenen Kluysenaar Met hem in ‘t bosch gewoond zo hy ons heeft betoond, Die ons bevryd heeft van de Leeuwe muilen: Waar dat ons moeder is of mag verschuile Is God bekend, waar dat zy is volend. Helena kuys was in een burger-huys By arme menschen t’huis: Zy maar een hand en had, haar brood om Gods wil bad; Zy word gebrogt by haare man en vader, En haar twee kinders weenden altegader Van liefde zoet met, traanen overvloed. Men schreef instant haar komst ten alle kant Een ieder was verblyd; daar werd een feest beryd. Hier zien wy klaar hoe dat de wil des Heeren Helenaas lyden doet in blydschap keeren Dees Gods vrindin word weer een koningin.
Cookies on Poetry Cove