Stem: Ik drink den nieuwen most. Wat baart de dertelheid? Niet als veel bitterheid? Welk men dikwils wel komt aan te zien, Het lied ons heel klaar komt te bedien: Hoe een dertele Juffrouw, Met eenen ouden man quam in de trouw? Men zag hun trouwe en bruiloft houwe: ’t Begin was haar zoet Meer des mans geld en goed. Zy leefden daar in vreugd, Een tyd in eer en deugd, In alle liefde, reden en manier, Waar in den ouden man had groot plaisier Want zy kreeg dan een Kind, Het geen den ouden man zo teer bemind, In zyn’ oud’ dagen had hy behagen Te zien in d’echte trouw Een zoontje van zyn vrouw, Maar als dit kind voorwaar Nu was drie of vier jaar, Heeft haar een jongman vol van dertelheid Door geile lust zeer schandelyk verleid. Zy neemt veel geld en goed
Van haar man, ziet wat de verleiding doet Zy loopen te zamen, buiten betamen, Vol confusie en schand, Zoo naar een ander land. Dan bleef den oude bloed Met het klyn Kindje zoet. Het Kind dat sprak: ach liefste vader ach Waar blyft myn moeder? ’t riep nagt en dag. Dit deed zo menig keer Aan den man veel weedom en groot hertzeer Dat hy zyn oogen dikwils moest droogen, En riep met droefheid groot: ’t Zal my kosten de dood. Na eenen korten tyd, Den man door de droefheid, Heeft dan gekreegen eene ziekte groot, Hy voelde dat hem nakend was de dood. Hy ontbiet door liefde zoet Zyn vrouws vader met een droef gemoed Verteld met rouwe hoe dat zyn vrouwe Was weggeloopen ziet, Waar heen dat weet men niet. Ach myn onnozel kind Van my zo zeer bemind, Zal nu zyn als vader en moederloos: ’t Is een die myn vrouw verleid wreed en boos. ‘k Beveel u myn Kindje zoet; Eylaas? ik voele dat ik sterven moet. Dezen goeden Vader die slaat te gader Zyn handen vol droefheid, Gaat zoo naar d’eeuwigheid.
’t Onnozel Kindje zoet Dat wierd dan opgevoed Van zyn Grootvader met veel liefde klaar, In deugd; en de man was weduwnaar. Hy ook met droef getraan ’t Kind met weenend oogen dikwils zag aan Na veel te voore, men kwam noit t’hoore Waar de vrouw was gelant, Wat droefheid in dees stand? God, gy rechtveerdig zyt; want na vier jaaren tyd Was al verteerd haar geld en haar goed. Dan haar verleyer met een boos gemoed Die kwam haar wreed te slaan? D’armoed deed hem naar Oost Indie gaan Dan was die vrouwe vol druk en rouwe, Mits zy in droefheid nood Ging dan van kinde groot. Zy baart na korten tyd, Met pyn en bitterheid, Vol armoed, versmaading en getraan: Dan zyn haar oogen als open gegaan. Zy roept vol droefheid dan: Waar zyt gy nu, ach; myn waarde man? Jesus verheven, wil my vergeeven De schande breuke, vol rouw, Van myne echte trouw. Dan met zugt en getraan Stelt zy dit op de baan Door bosschen, velden, berg, en zant, Om zoo te komen in haar Vaderland, Dikwils van ryzen moe, Half dood van flauwte ende moed:
Een hert van steene dat moet hier weene; Voor haar klyn kindje teer En had zy geen zog meer. Hoort moeders liefde zoet? In plaats van melk ’t was bloed: Alzo voed zy haar Kindje op ’t veld. Elk denk’ hoe deze vrouwe was gesteld. Ziet Gods almogentheid, Daar komt een meisje die de koeijen wyd, Die zag dees vrouwe in dit benouwe, Liggen in flauwte groot, Met haar Kind by naar dood. Zy melkt uit liefde klaar Eene koeije aldaar, Met melk voed zy de vrouw en kindje teer Ziet hier die wonderwerken van den Heer Die zyn barmhertigheid Toont, zy roept: o Jesus gebenedyd? Door uw vyf wonden, vergeef myn zonden Zoo kwam s’over de baan, Vol pyn, wee en getraan. Na veel druk boven dat, Komt s’in haar geboorte-stad; Aldaar hoort zy met veele droefheid groot Zeggen dat haar man van droefheid was dood. En zo haar zoontje, dat Zy zoo schandig aldaar verlaaten had, Nog was ’t in leven, en woonde beneven By haaren vader dan, Na de dood van haaren man. Zy is dan vol getraan Tot haaren vader gegaan,
Maar dezen man, zeer toornig en kwaad, Smyt haar met haar Kindje op de straat, Verwyt haar met wreedheid Haar schandig fyt en haar ondeugenheid. Niemant beneven komt haar troost geven? Zy roept vol droef getraan, Jesus, Maria aan. Na nergens troost t’ontfaan, S’is naar ’t kerkhof gegaan, Alwaar dat haaren man begraaven lyt. S’heeft op het graf zeer bitterlyk geschryt Nu komt haar zoontje daar, Het welk was oud van zeven of agt jaar, ’t Ziet daar met eene zyn moeder weenen ’t Kent nog zyn moeder daar, En roept in ’t openbaar: Gy zyt myn moeder zoet, Die my zoo heeft gevoed; Moeder, waarom bleef gy zo lang van myn? Ach liefste moeder, wat droefheid en pyn Hebt gy my aangedaan; Myn liefste moeder, laat ons naar huis gaan Denkt hoe dees woorden het hert doorboorden Van dees bedrukte vrouw, In haar droefheid en rouw. ’t Kind neemt haar by de hand, En ’t komt zoo triumphant By zyn Grootvader; ’t valt voor hem te voet: Zie hier Grootvader, zie myn moeder zoet.
Grootvader, zie haar aan, Wilt toch myn moeder in genaad ontfaan. Dan den Grootvader uit liefde te gader Die weende strooms gemoed, Door deeze woorden zoet. Zy valt ook op haar knien, En zy zegt ook mist dien: Ik heb gezondigt, schroomlyk misdaan? Ach Vader, wilt my in genaad ontfaan; G’hebt my altyd bemind; ’t is waar k ben niet waardig genaamd uw Kind; Maar heb medoge en slaa uw oogen, Wil m’in genaad ontfaan? Vader ik heb misdaan Hy ontfangt haar in genaad, G’lyk als geschreven staat Hoe den vader eens den verlooren zoon Ontfangen heeft en bragt in zyn woon. waarom gy jong en oud, Dat elk dees schoonen spiegel wel onthoud: Om wel te myden ten alle tyden, Pynst dat verleiding snood Het lyf en ziele dood.
Cookies on Poetry Cove