Op een Schoone Wys. 1. Laastmaal zo nam ik myn besluit Ik trok zonder zorg, De poorten straks uit Al met myn Hengel En Visser gesnaar Ik ging Wurmpjes zoeken Myn tuigje lag klaar, bis. 2. Omtrent een half uur buiten de Stad, Daar vond ik een Schuurtje, Daar ik wat neer zat, Ik dagt wat te eeten, En ik zat wel een uur, Een weinig gezeten, Doen sloeg ik wat vuur, bis. 3. Wat zag ik van verre na myn zin? Het lykt wel te wezen Een schoone Godin, Een fraai Vissers Meisje, Zeer opgepalleerd,
En poezel van vleisje, Daar niet aan mankeert, bis. 4. Zy zeider wel Visser, hoe bent gy zo mal, Dat gy gaat uit Vissen, En vangt niemendal, Ik weet ‘er een Vyver, Lief Engeltje vris, Hoe dieper, hoe styver Dan vangt gy braaf vis, bis. 5. Gy toond ‘er voorzeker een fris gelaat, Gy lykt ‘er voorwaar Een regt Vissertjes maat; Wyl ik weet de Vyver Waar dat gy goed vist, Zo wil hier dan blyven, Op dat gy niet mist. bis. 6. De Visser die stond ‘er geheel verbaasd, Nam op zyn tuigje Al met ‘er haast, En pakte zyn boeltje En ging met haar voort, Hy dagt wel dat smoeltje Myn zinnen bekoord. bis. 7. Zy gingen zaam wand’len langs de kant, En spraken van ’t vissen, Al hand aan hand, Tot zy zyn gekomen Al aan eene sloot, Hy maakt zonder schroomen, Zyn tuigje vast bloot, bis.
8. Die Visser die gooit zyn Hengel diep neer. Dat Meisje dat sprak ‘er, Gy doet myn geen zeer Zoo moet gy maar Joepe Van op en de neer Door alle dat Joepe Dan valt hy slap neer, bis.
Cookies on Poetry Cove