Skip to content
1791

De vrolyke schoorsteenveeger

Anoniem

Stem: Wat Word ons al vreugd enz. I. Zit ik op den Schoorsteen boven, Schoon met roet bekleefd, bestoven, bis.

‘k Zing nochthans gelyk een Heer, By het trekken op en neer. 2. ‘k Doe myn werk altoos met lusten, Na den arbeid is ’t goed rusten: bis. Denk ik altoos, wel gemoed, Wyl het loon het werk verzoet. 3. Laatst vroeg my een aardig Meisje: Schoorsteenveeger! zeg me een reisje, bis. Zyt ge al om te veegen rasch? Vroeg waar dat de Schoorsteen was? 4. Kom (sprak zy) maar in de Keuken, (’t Scheen de Meid wel wat te jeuken,) ’t Is een Schoorsteen, die ik ken, Wijl ik Keukenmeisje ben. 5. Ja dat wil ik wel gelooven, Zei ik, en klom rasch naar boven, bis. Door het onderst Schoorsteengat, Tot ik juist de hoogte had. 6. Toen ik boven zat op ’t topje, Zong ik helder uit myn kropje; bis. En bespotte dus de Meid, Die my gaarne had verleid. 7. Wilt ge u Schoorsteen laaten veegen, Meisjes, wilt dan overweegen, bis. Dat gy ’t doen laat, als ’t u voegt; Houd u zo lang vergenoegd.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De vrolyke schoorsteenveeger · Anoniem · Poetry Cove