Stem: Ihr Schöne höret an. SChoon dat ik onder 't groen Van digt getekste Boomen! Aen frisse Water stroomen, Mijn Amarilis zoen, 't Kan tot mijn rust niet doen. Schoon ik met duijzend kussen Mijn Minne vuur mag blussen En dat mijn Engelin Mijn gund haer Wedermin; Schoon zij met bitt're zugten Beklaegt mijn ongenugten, En dat haer teder Hert Heeft meedlij met mijn smert.
Mijn Hert van jongs af an Had steeds een schrik van 't Huwelijk: Ik haet dat Iok zo gruw'lijk, dat ik 't niet zeggen kan, Mijn Siel ontzet zig van die strenge Huw'lijks Wetten, Die al 't vermaek beletten, dat ons de vrijheijd gaf En dreygt ons tot aen 't Graf, Met onverbreekb're Banden; ô droevige Offerhanden Van Hijmens Egt Altaer; Wat zijn zijn Boeijens zwaer.
En mis ik Amarill'; So zal dat treurig derven 't Begin zijn van mijn sterven; 'k Weet in dees vreemde gril. Bijna niet wat ik wil. De Liefde trekt mijn zinnen, Om Amaril te minnen En aen d' andere zij Vrees ik d' Slavernij. ô Hemel! wat
zal 't wezen? Ik werd door duijzend vrezen Gedreven op en neer: Geslingerd heen en weer.
Ach schoone, was u Hart Gesteld gelijk het mijne; Gij zoud mijn niet doen kwijne In duidelooze smart En wanhoop dus benart; door al te strenge proeven Uw Minnaers Siel niet schroeven; Geen dwaze Wet van Eer Sou uw of mij zo zeer; Indien gij mij slegts minden, dus al te slaefs verbinden Aen ijders blinde waen, Ach! Engel laet uw raen.
In d' eerste Goude teijd Wist niemand van dees Banden; deed Minzugt hun ontbranden! 't Was in onozelheijd, die niemant strikken leijd. Een kusje alleenig bloeijde Hun Sielen, die toe gloeyde In een volmaekte Vuur. d' Al-teelende Natuur Erkend geen strenge Wetten; dus wil hier eens op letten, Myn Sielsvoogdes! Ach! bleeft gij mijn Matres.
Cookies on Poetry Cove