Skip to content
1795

De vrolyke openhartige minnaar

Anoniem

Stem: Als 't begind. ACh! ach! ach! wie komt mijn wekken, Nu ik leg in zoete Droom, Nu ik Philis dagt te trekken, Aen een klare Waterstroom,

Bosgodinne hoord mijn klagen, Over dezen overlast: Zoek dien Stoorder op te jagen, Maekt hem met mijn Boejen vast.

Aen zijn Stem dagt 't mij te wezen, Niemand als den Boxvoet Pan, Voor wien al de Nimphen vreezen, Doet dien Rekel in den Ban.

Maer hou zagt waer toe die klagte? Ziet daer komt mijn Herderin, Die kan al mijn leed verzagten, Ik groet u, schoonste Engelin.

Hoe dus vroeg in het Veld getreden, Wat mag dog de oorzaek zyn, Of hebt gy ook die zelfde reden, Die my baerde zo veel pyn.

Ik lag zeer zoet en zagt te Droomen, Hoe ik u schoon Herderskind, vrolyk naer mijn toe zag komen, Als gedreven door de Wind.

Met een bloosje op u Kaken, Met een houding vol van zwier, Waer door gij mij komt vermaken, En ik u gevangen wier.

Maer zo ras ik u ontmoeten, En gelijde niet de Hand, Om mijn zuijvere lust te boeten, Aen een frisse Waterkand

Vond ik mij wel haest bedrogen, Terwijl de slaep mij toen verliet, Ik keek rondom en vreef mijn Oogen, Maer ik vond mijn Philis niet.

Ik stond verbaest als op getogen, Ik ging vol spijt daer heenen treen, Tot ik u zag voor mijn Oogen, Toen mijn leed wel haest verdween.

Nu is al mijn vreugd herbooren, Nu ik my bij u bevind, Wat voor vreugd is mij beschooren, Zegt het mij zoet Herderskind.

Laet ik op schoone Kaken, En op u lieve Rodermond, Mij in Eer en Deugt vermaken, Tot ons iets meer werd gegond.

Maer ik heb niets meer te wagten, Terwijl d'slaefsche Huwelijksmin, Is gesteld uijt mijn gedagten, Egter min 'k mijn Herderin.

Hoe zal ik mij hier gedragen, Ik wil u minnen tot 'er dood, Wild mij maer u gunst op dragen, Als een lieven Speelgenoot.

Zo mij het Huew'lijk kon behagen, Ik wagte niet om 't Minnent Hert, U met eerbied op te dragen, Hoe raek ik uijt die Strik ontwerd.

Zo moet de Vrijheijd minne, Zo moet ik missen 't zoet genot, Van mijn lieve Herderinne, Ach hoe bitter is mijn Lot.

Maer wat kan de Wijsheijd baten, Als ik mijn Philis misse moet, En met haer ook moet verlaten Het genot van 't zoetste zoet.

Waer u Hert gesteld als 't mijne Overschoone Zielsvoogdes Ik zag haest mijn leed verdwijne, En gij bleef myn Minnaeres.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De vrolyke openhartige minnaar · Anoniem · Poetry Cove