Skip to content
1795

De vrolyke openhartige minnaar

Anoniem

Op een aengename wys. IN alle mijn elenden, In alle mijn verdriet: Waer ik mij keer of wenden Ik vind mijn Liefje niet.

Mijn dunkt ik zie van verrrene, Het scheijnd een Herderin, Haer Oogjes als de Sterrene Vonken al door de Min.

Ik ben bij haer gekomen: Onder een Groene Laen, In het schaduw' der Boomen, Hoord men de Kwartel slaen.

Ik zeij mijn Herderinne, Weest minnelijk gegroet: Mijn Hert dat brand van binne Al door het minnebloed.

Ach Moeder (zeij zij) Moeder, Ik leef in Swaren last, Mijn Liefje, mijn behoeder, Is als een Lorias gast.

Ach dogterlief, wat zaken: Wat zult gij daer mee doen? 'k Sal u een Kleed doen maken Van Citzen of Catoen.

daer bij zo kund gij kiezen, Lubbens van Kanten stijf, Wild dog de zin verliezen: Van een Soldate wijf.

Ach! Moeder lief geprezen, U praet is mijn verdriet: Een Soldaetje moet het wezen, Maer een Burger niet.

Men hoord den Trommel razen, Catrijntje was verbleijd, Haer Goed was haest geblazen, So Lorias heeft gezeijd.

Men zag haer wederkeeren, De vreugd was haest gedaen, Sonder Geld of kleeren: Kwamz' voor haer Moeder staen.

Ach Moeder, zeij zij, Moeder, Vergeeft mij deze keer: Ik zal noijt voor een behoeder, Kiezen Soldaeten meer.

Al heeft hij mij verlaten, Moeder wat leijd daer an: de Loeders van de Straten Krijgen nog wel een Man.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De vrolyke openhartige minnaar · Anoniem · Poetry Cove