Skip to content
1795

De vrolyke openhartige minnaar

Anoniem

Stem: Van de Wasser. AArdsche Godinne Aengename zoete Maegt, Doel van mijn verliefde zinnen Die mijn teere ziel behaegt, Zeg eens behoed gij niet, Die uw Schoonheijd maer aen ziet, Zeker 'k moet u eeuwig Minnen, Schoon u strafheijd mijn 't verbied.

Gij! Gij! loop heenen, 'k Heb in 't minste geen vermaek: In uw Woorden, zonder meenen En uw praetjes voor de vaek: Vrijer Vryers in der daed, Want het uytterlijk gelaet, Zugten steene klagen Weenen, Haer niet eens ter Herten gaet.

Zoud gij gelooven, Dat ik door ontrouwe Min, Zoek uw teere Hert te roven, Neen mijn schoonste Engelin; Proef ach Lief ach proef mijn maer! Schoon dat liep mijn Lijf gevaer, Nimmer zal dat Vuur verdoven, Al was 't lijden nog zo zwaer.

Tussen het zeggen, En het doen, is onderscheijd, Even als de Bergen leggen, Tussen 't Zuijd en Noord verspreijd,

Als den Vogelvanger zet, Het arglistig Garenet, Schuijld hij agter Heg en Struijken, Tot het Beesjen is in 't Net.

Eer zal den Hemel Pletteren Zaden Land en Volk, Eer zal 't cierlijk Pluijm-gezwemel Nestelen in een doore Kolk; Eer een logge Walvis vloog Eer ik u mijn Lief bedroog, Eer zal d'alderhoogste Kemel, Gaen door een klijn Naelden oog.

Hoe zwaerder Eeden, Hoe veel ligter van waerdij, Zet die leuren en gebeden, Met dit Zweeren aen een zij, Vrijers met u Eeden loop, Eeden die zijn heel goed koop, Wild die aen geen Maegd besteden, Duijzend hebjer in een hoop.

Moet ik dan dragen, Smaedheijd straf of andere schuld, Of hebt gij alleen behagen, In den toets van mijn geduld, Wel ik zal lankmoedig zijn, 'k Hoop dat nog u Zonneschijn, Eijndelijk eens op mijn zal dagen, Hoop van gunst en voelt geen pijn.

Gij draegt geen lijden, Smaedheijd schuld of andere straf, Ben ik Vuur, zo wild mij mijden, Brand ik u, gaet van mij af, Want of ik u vond getrouw, Ik u eijndelijk nog zou, Als een gladde draed afsnijde, Want ik heb geen zin in jou.

'k Kan 't niet verkroppen, 't Hert en Ziel leijd mij en beeft, Voeld eens hoe mijn Ad'ren kloppen, Ach! mijn Adem mijn begeeft, Ach! ach! ach! dat zijn geen reen, Dat gij alteijd roept van Neen, Zelfs d'Keij slijt door 't droppen, Zijt gij harder dan een Steen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De vrolyke openhartige minnaar · Anoniem · Poetry Cove