Stem: Komt doch al gelijck, &c. SOeten Engelin mijn uytverkooren, Alderliefste die ick min, Gy zijt tot mijn tweede ziel gebooren: Ick bid u Liefste, keert uwen sin; Gy zijt te wreet In al u spreeken: Lief doen ick u leet, Seght u gebreeken; Dan sal ick, ô Roosje fris, Verlaten al wat u mishagen is. Monssieur dit zijn al maer bagatellen, Treckt van hier en hout u kloeck, Wilt my doch met geen vryagie quellen, Want ick sulcks niet en soeck:
En Minnaer gy, Ghy sult my niet verwinnen, Met al u gevry: Soo staeckt u minnen, Want dit is den laesten keer, Dat ick u aenspreken sal mijn Heer. Isabel, sal ick dan moeten derven, Die ick soo langh heb bemint, Soo sal ick dan van droefheyt sterven, Ick bid u Lief doch eens versint, Want u schoonheyt Gaet Venus verr’ te boven, Daerom soete Meyt, Sal ick u loven, Soo langh als de silv’re Maen Sal in het Firmament der sterren staen. Jongman, wat baet al u lamenteeren, Wy sullen noyt te saem In dese groote liefde accordeeren, Want ghy hebt te quaden naem: My is geseyt, Van lieden sonder erge, Dat ghy altijdt zijt In de Herberge, En dan loopt ghy in ’t verhool Al met de Meysjes uyt vrou venus school. Aldersoetste beeldt, het is geloogen, Al dees groote vyleny Hebben sy uyt hunne poot gesoogen: Ick sal van melancoly, Liefste, vergaen G’lijck de sneeuw van der Sonnen, Soo ghy my voortaen Geen min wilt jonnen; Maer gelooft van my voor al, Dat Godt de klappers noch wel vinden sal Jongman, staet dan alleen u behagen Soo op my; ick ben te vre’en, Wilt het aen mijnen Vader vragen,
En aen mijn vrou-moeder met een, Of hy my sou Aen u Persoon besteden; Dan sal ick mijn Trouw Oock geven mede, Want ick kan het groot verdriet, Ach Minnaer! van u langer lijden niet. Honing soete Lam, ô blom der bloemen Dit is alleen mijnen wensch, Soo’er somtijds klachten komen, Het gebreck is in den mensch; Och geluckigh uur, God geeft ons den zegen, Dat ick mijn partuur Nu heb gekregen, Want sy zijn nu al te vre’en, Vader, Moeder,en mijn Lief met een. Minnaer eer dat wy t’samen trouwen, Soo moet ick my eerst voorsien Al van een Kemels-hayren bouwen, En daer toe een Huys alleen, Een kap seer net, Een Ysertje met stricken, Huysraed met een bed Sal ick u beschicken, En Mompeer sal voor eerst Bereyden voor ons Trouwen een groote Feest. Liefste Lief, ick sal voor alle saken, Na de mode van ons Landt, Doen een groote goude Kettingh maken, En de Ringen navenant: En mijn zwarte kleet, Dat leyt soo schoon gevouwen, Het is al gereet Om te gaen trouwen; En de Mantel van berkan, Daer mee ben ick t’effens dan een Man. Oorlof Jonghman leert oock uyt dit singen:
Want al is u lief gestoort, So moet ghy nochtans uw’ tong bedwingen, Dencken het is maer een woort; Toont sy haer quaet, Gy moet weer soetjes spreken, Dat zijn in der daet De Minne-treken: Daerom gaet het spreeck-woord nouw, Dat noyt blohert trout een schoone vrou.
Cookies on Poetry Cove