Een Nieuw Liedt van de Enckhuyser Haring-vaert. Stemme: Mijn Heer la Lande. WIlt nu vrolijck singen, Ende seer wesen verblijdt, Nu de tijd ons weer gaet brengen, Dat men repareert met vlijt, Haringh-buysen groot en kleen, Om ter Zee te varen heen, Om de Haringh, hoogh gepresen, Ons die lust, te deelen mee. Hoe siet men nu slaven Timmer-luy en Haringh-man, Om te kloppen en te rasen, Elck lustigh als hy kan, Maken de Schepen geree, Om de Haringh, seer gepresen, Ons die lust, te deelen mee. Nu soo siet men komen Uyt dorpen, Eylanden mee, De Buys-luyden sonder schromen, Te maken Schepen ree, Siet hoe springht nu elck an, En weert hem als een Man, Om den Haringh, seer gepresen, Metter tijdt te vangen dan. Wanneer de Schepen Zijn geteert en toe gemaeckt, Dan gaet men met kracht aen ’t slepen, Daer men de Haringh goet mee maeckt, Dat is dat schoone witte zout, Daer men Haringh mee goet hout, Peeckelharingh, seer gepresen, Smaeckt beter als Schapen-bout.
Dan voort aen ’t halen, Leegt Tonnen en de vleet, En Victaly sonder dralen, Op dat elck vast wort gereet, Dan oock na de Brouwer toe, Om Bier ende Water goet, Broot, beschuyt en andere waren, En wat men meer hebben moet. Als dan de Schepen, Al te samen zijn gereet, Dan so gaet men wilt het weten, In de bocht daer men dan eet Soete Melck daer brocken in, Elck krijght het na sijn sin, In het huys, ja op de kamer, Hey dat brengt krioelen in. Dan gaet elck koopen ’t Geen hy nodigh heeft van doen, Leersen om daer in te loopen, Kousen, Veters ende Schoen, Ende oock meer ander waer, So dat Buysman haest wort klaer, Om de Haringh, seer gepresen, Voor ons haest te maken gaer. Men gaet dan scheyden Van Enckhuysen na sijn sin, Elck sijn Lief dan gaet geleyden, Trijn, en Griet, en Femmetjen, Geesjen, Jantjen, ende Geert, Elck siet als geheel verveert, Want elck nu sijn Lief moet missen, Tot hy met liefde weder keert. Siet nu eens braveeren Door de woeste wilde zee, Onse Schepen na begeeren, Na Hitlandt inde Noord-zee, Tot voorby is Sint Jans dagh, Dat men het net uytschieten magh, Verwachtende Godes zegen, Als voor dees te wesen plach.
Dan soo gaet men schieten Op Sint Jans nacht over boort, Den Wandt daer in mach vlieten, d’Haringh so men daer van hoort, Halen sy het Net daer in, Met veel Haringh na onse sin, Danckt dan Godt, hy is u Heere, Voor zijn zegen en gewin. Alsse is gevangen Sy se in de Tonnen slaen, Kaecken, zouten met verlangen, Elck weert hem dapper dan: Peeckel-haringh eel en goet, Ons hert verheugen doet, Want de Haring hoogh gepresen, Smaeckt delecaet en soet. Als men is geladen En weder t’huyswaert keert, Soo vergeet niet Godts weldaden Daer hy u mee vereert, En prijst hem met hert en sin, Die hier door brenght groot gewin, Want de Haringh-vaert gepresen, Brenght ons hier veel Neeringh in. Als sy dan aenkomen, Roept men sonder langh gepeys, Welkom Buysman sonder schromen, Welkom, welkom van de Reys, Welkom Buysman uyt de Zee, Die ons brenght de Haringh mee; Welkom, welkom moet gy wesen, En geluck en zegen mee.
Cookies on Poetry Cove