Beklag Lied, van een Jonkman die te Hamburg onthoofd is, nadat hy zestien Jaaren in Indiën geweest is. Stem: O Holland schoon! enz.
1. AEnhoord gij Menschen wie gy zyt / Wat ik u zal verhaalen: Hoe de Zatan met listigheid! Een Jonkman bracht aan 't dwaalen. Als ik verhaalen zal dit Lied: 't Is tot Hamburg klaar geschied / Daar raakte hy aan 't klinken / Met Gezelschap aan het drinken.
2. Een Jonkman daar in 't Gezelschap Begon kwestie te maaken / Die vatte hem daar bij zyn kop / Steld het mes op zijn kaaken. Dees goede Jonkman dit vernam / Hy wierd zeer toornig ende gram / Trok het mes uit de scheede / En stak hem dood ter Steede.
3. Doen vluchten hy tot Amsteldam / Ging naa Oostindiën vaaren / Daar hield hy hem vroom en bekwaam / Daar was hy achtien jaaren. Hy kwam van daar hier wederom / Twee duizend guldens was de zom / Dat hy alles meede brachte / En naa zijn Ouders trachten.
4. Hy ryst weer naa Hamburg dra / Om zyn Ouders te bezoeken / Die woonde toen te Altona / Hy kwam daar met verkloeken. Zijn Ouders die verschrikte zeer / Als zij hem zaagen daar alweer / Zy spraaken met benouwen: Wild uw verborgen houwen.
5. Toen sprak hij: Vader wie zou daar Myn van die tyd noch kennen? Daar 't is geleeden zestien jaar / 'k Zal by die lichte Dente Niet meer verkeeren / zwijgt maar stil/ Op dat niemand krygt zulke gril / Die myn zou gaan verraaden / Wie zou myn bloed verzaaden.
6. Kort hierna trekt hy naa Hamburg / Als hij daar is gekoomen / Hy vryd een Dochter zonder zorg / Maar die bracht hem in schroomen.
Hy vryden haar drie maenden tyd / Hy kreeg op 't laatst van haar verbliyd / Het jawoord daer verheeven / Door liefde tot haar gedreeven.
7. Hy gaat vrolyk van haar met vlyt / Zonder iets kwaads te denken / Daar kwam een Vrouw by deeze Bruid / Die kon hem dit wel krenken. Die sprak tot haar met woorden dan: Zult gij Trouwen zoo wreede Man / Die met wreede accoorden / Een Jonkman ging vermoorden.
8. Wel Buurvrouw sprak dees Bruid zoo zeer: Is dit een Moordenaare? Die myn beminde van hertenzeer/ Wat droefheid komt my baaren. Is dit de vreugde die ik zag? Ach ik beklaag de eerste dag! Dat hy by mij kwam keere / ô Dood veld mij daar neere.
9 Dus komt hy weer des ander Dag / Al by zijn Bruid verkeeren / Ik ben bedroefd dat ik uw zag / Sprak zy met groot hartzeere / Want ziet ik uw nooijt Trouwen zal / Zoo lang uk leef op 't Aardsche Dal / Want gy ging met verstooren / Een Jonkman wreed vermooren.
10. Toen sprak hij: Lief zegt mij ten toon / Wie dat dit heeft gesprooken / Ik ben een eerlijk Perzoon / Is onze Liefde gebrooken? Zoo wensch ik dat van stonden aan / De Dood mij haalden hier van daan / Doen ging hy van haar heenen / Is na 't Gerecht getreeden /
11. Hy sprak: Wijn Heeren hoord myn bee / Ik ben een Moordenaare / Want ik hier laatst een Neêrlaag dee / Wel over zestien jaaren. Doen vluchte ik alhier van kant / Ik ben geweest naar 't Indisch Land / Maar myn knaagende conscientie / Maakt het Gerecht nu mentie.
12. De Heeren waaren zeer ontsteld / Als zy hem hoorde praaten / Zij hebben haar woorde geveld / Gaat wandelen uwer Straaten / Want ziet / Vriend wy kennen u niet / Gy zyt in razernije ziet / Hoe komt gij met uw woorden Ons Dolle Raad verstooren.
13. De Dienaars brachten hem van 't Raadhuis / Met consent van de Heeren / Maer sprak: ik heb geen abuis / Wild mijn doch loon vereeren.
Hy ging weer booven beduit 't haar / Hoe hij de Neerlaag dede klaar / Het Gerecht met verstrangen / Genoodzaakt hem te vangen.
14. Als hy nu zat in deeze nood / Liet hij de Heere verwitte / Want hij verlangde naa de Dood / En woude niet lang zitten. Maar doen ontbood hij deze Meid / Zij wierd gehaald bij hem ter tyd / Daer zy zoo vitter schreiden / Als zy hem zag in lijden.
15. Hy sprak: myn Lief en schreid niet meer / En haer wel duizendmaal kuste / In den Hemel zien in uw weer / Te sterven is myn luste. Zyn Dader kwam ook by hem ziet / Die wou hem troosten in zyn verdriet / Zyn Dader in die tijen / Begon bitter te schreijen.
16. Schreid niet! schreid niet! Och Dader zoet! De tyd is haast gekoomen / Dat ik van hier vertrekken moet / Ik voor de Dood niet schroomen / Myn dunkt ik zie myn God en Heer Hier boor myn zweeven heen en weer / Die zal myn ziele haalen / Al in des Hemels Zaalen.
17. Dus treeden zy weer van hem af / Zyn sententie wierd geleezen / Men sloeg zyn Hooft van 't Lichaem straf / Hy stierf zonder vreezen / Maar drie daegen na deezen tyd / Conscientie knaegde deeze Meid / Zy nam een mes met smerte / En stak het in haar herte.
18. Zyn Dader ging van droefheid ach: Hier over murmureeren De Zatan kreeg hem in zyn macht / Hy ging naa buiten keeren. Hy sprong aldaer in eene Sloot / 't Water versmoort hem / hy was dood / Zyn Moeder met vezwaare, Zit in 't Dolhuis aldaare.
19. Neemt hier een spiegel wie gy zyt / Gy Ionkmans alle zaamen / En u van 't kwaed Gezelschap myd; En gy Dochters te zaamen / Derwyt niemand zyn ongeval Men weet niet waer men toe komen zal / Al heeft de Mensch lang leeven / Hy zy 't nooit vergeeven.
Cookies on Poetry Cove