Skip to content
1803

De ton vol vrolykheid

Anoniem

Een Wonderlyk verhaal, hoe dat buiten de Stad Utregt van Ryke lieden haar Kind wierd gestolen, dat drie Jaren oud was, en na twaalf Jaren was weg geweest, op een Wonderbare manier by zyn vader kwam. Stem: Die van Abraham wil horen.

Aanhoort eens vrienden waardig, Wat dat er is geschied, Een stuk aanmerkens waardig: Staat hier in dit Lied, 't Geen buiten Utregt is Gebeurt, neemt het dog aan, Gy zult zeker en wis; Daar van verwondert staan. Buiten Utregt daar woone, Ryke Lieden dat onthout: Die een eenige Zoone Hadden, van drie jaren out? Al op een Hofstee groot; Woonde zy met plysier! Maar laas wat droeven rood! Kwam haar geuaken hier. Haar lief en waarde Zoone, Wierd daar gestoolen snoot! Daar kon geen zwaarder hoone, Voor haar zyn alzo groot, Men ryst en rost al 's weegs, Weeken en Maanden dan,

Maar laas al te vergeefs Men hem niet vinden kan. Dit kind moest ryzen heenen, Al met de heidens straf, Wel tien Jaar agter eenen: Poen liep hy van haar af? Door al de ongemak, Met slagen en verdriet; En in fig zelver sprak: Het zyn myn ouders niet. 'k Zal nu gaan doolen heden, Ik ben geen Heidens kind; Zoeken in alle steden? Of ik myn ouders vind, Want ik heb veel gehoord, Al van een bedelaar: Die my vertelden voott, Dat ik gestoolen waar. Den bloed ging dan heenen, Met droesheid zwaar belaan, Niet ver van de stad weene, In Duitschland wilt verstaan: Daar klaagden hy zyn nood: Aan een Heer op de weg, Die gaf hem Geld en Brood, En wees hem so te regt. Hy dwaalden so twee Jaaren, In steeden en op 't land: Maar zyn ouders voorwaaren: Hy nergens niet en vant! Ten lest zoo komt hy gaan, Tot Utregt by de poort En sprak een schipper aan, Om mee te waaren voort.

Zyn vader was voorwaaren; Op die tyd in de schuit, Om naar Amsterdam te vaaren; Die sprak daar overluit, Schipper neemt hem maar mee? 'k Sal u daar voor voldoen, komt Jongen hier is een stee, Wilt u van 't Land maar spoen. De schuit ging daar aan 't vaaren, Den Heer sprak wel gy kwant, Hoe out bent gy van Jaren? Van waar zyt gy van Lant, Och dat en weet ik niet: Sprak dezen jonge rat. Ik ken tot myn verdriet, Geen ouders nog geen stad. Ik ben voorwaar gestolen, Al van myn Ouders snood, Ik meen zoo long te doolen, Na haar tot aan de dood: Want het staat my nog veur Dat ik was in de rouw: En van myn Ouders deur: Wierd weggenomen gou. Den Heer ontzette zeere, Zyn hert begon te slaan, Och myn kind jong en teere, Die is ook zoo verraan, Doe het was in de rouw, Over myn zuster zwaar: Soo stolen zy 't ontrouw. En 't was nog geen drie Jaar, En nu zoo moet hy wesen; Een borst omtrent als gy, Van vyftien jaar by dezen,

Myn bloed verandert my, Jonginan zeg my nog wat? Van heugenis 't een of 't aart Ik weet, zy hy ik had Een Lam my volgden naar. ô! Heer hier komt nu vooren, Myn eygen vlees en bloed, Toen hy van 't Lam kwam hooren, Zoo zy hy met 'er spoet: Myn kind had ook een Lam, En was daar mee heel blyd, 'k voer mee na Amsterdam, Toen ik hem thuis bragt, zyt. Komt trekt met een gezwinde, Uw kous en schoenen uit: 'k Zal een teken winden, Zeide hy overluit: Myn kind zyn kleine teen, Is afgezwooren hart, En boven aan zyn been; Staat ook een moerbei zwart. Toen deezen Jongen hoorden. Die teekens spreeken daar, Ach Vader lief die voorden? Beduide nu heel klaar Dar ik u kind dan zyt, Vloog hem om den hals ras, Geen mensche zoo verblyd; Als Vader en Zoon was. Die in de schuit dan vaaren, Zagen dees tekens klaar, Ach wilt niet verder vaaren: Zei hy tot den schipper daar, Zet ons aan Land maar aan, De vragt gy dubbelt wind:

'k Moet naar myn huis toe gaan Met myn gevonden kind. Geen vreugd was zoo te noemen Als van vader en kind; Toen zy zyn thuis gekomen Denk hoe de Moeder waar Al om haar lieve kind. Daar ziet men zo een vreugd, Geen blydschap men ooit vind Die zoo den mensch verheugd.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De ton vol vrolykheid · Anoniem · Poetry Cove